Tachtig jaar na de Japanse capitulatie woedt er een nieuw soort strijd: die om het geheugen. Terwijl China in september zijn overwinning herdacht, begonnen in westerse media analyses te verschijnen die de rol van de Communistische Partij van China (CPC) in de oorlog minimaliseerden. Soms werd zelfs gesuggereerd dat China nauwelijks iets heeft bijgedragen aan de geallieerde overwinning. Het discours wankelt niet alleen in historisch opzicht, maar laat ook zien hoe de geopolitiek van vandaag het verleden herschrijft.

Jan Reyniers
Toen in 1931 de eerste Japanse troepen de Chinese provincie Mantsjoerije binnenvielen, begon voor China de nachtmerrie van de Tweede Wereldoorlog. Die zou voor de Chinezen bijna 14 jaar duren. Toen de oorlog in Europa in 1939 begon, waren er in China al miljoenen doden gevallen. Veertien jaar later stond de teller op 20 miljoen slachtoffers en 100 miljoen ontheemden, een menselijke rampen van onvoorstelbare omvang. Dat fundamentele gegeven is vandaag in veel westerse analyses amper terug te vinden. Sterker nog: het debat gaat vaak niet over de offers die China bracht, maar over de vraag of de CPC überhaupt wel heeft deelgenomen aan de gevechten.
De mythe van een passieve CPC
Vóór 1937 voerde Chiang Kai-shek, de leider van de Kwomintang (KMT) een verbeten strijd om de communistische beweging te vernietigen. Een gezamenlijke strijd van nationalisten en communistren tegen Japan leek dan ook erg onwaarschijnlijk. In Chiangs ogen vormden Mao Zedong en zijn aanhang een grotere bedreiging voor China dan het Japanse keizerrijk. Chiang moest in Xi’an eerst onder druk worden gezet na een ontvoering (nota bene door één van zijn eigen generaals) om een verenigd anti-Japans front te aanvaarden.
Critici, zoals de Franse journalist Pierre Haski en de voormalige adviseur van Donald Trump, Steve Bannon, herhalen tegenwoordig vol enthousiasme de klassieke Koude Oorlog-lezing van de feiten. Volgens hen zou de Chinese Communistische Partij (CPC) de oorlog vooral hebben gebruikt om zichzelf te versterken, terwijl de KMT het zware werk deed. Het groeiende aantal communistische strijders – van 40.000 in 1937 tot meer dan 900.000 in 1945 – wordt daarbij aangehaald als bewijs van het CPC-opportunisme.
Die redenering negeert echter de fundamentele realiteit van de Chinese oorlogvoering: de KMT vocht in de steden, terwijl de CPC actief was op het platteland, waar het grootste deel van de bevolking leefde. In die uitgestrekte gebieden bleken conventionele legers niet effectief. De CPC, diep verankerd in lokale gemeenschappen, kon daar iets realiseren wat de KMT nooit is gelukt: de massamobilisatie van miljoenen boeren.
Een front dat de Japanners nooit onder controle kregen
Al vroeg in de oorlog organiseerde de CPC in de door Japan bezette zones een parallel bestuur, zowel op administratief, als op militair en economisch vlak. Communistische netwerken verzamelden inlichtingen, trainden soldaten, pleegden sabotage en boden bescherming aan de dorpen. Deze ‘autonome’ gebieden functioneerden als uitvalsbasis voor een guerrillabeweging waar de Japanners geen vat op kregen.
Het strategisch effect van dat lokale verzet was enorm: minstens 600.000 Japanse soldaten moesten in China blijven, gebonden aan een front dat ze nooit konden pacificeren. Een leger dat vastzat in China kon niet naar Birma, niet naar de Pacific en niet naar de grens met de Sovjet-Unie.
CPC-operaties maakten het verschil
Het (meest) bekende ‘Offensief van de Honderd Regimenten’ in 1940, was een grootschalige Chinese communistische aanval tegen de Japanse bezettingsmacht. Deze werd geleid door generaal Peng Dehuai en omvatte talrijke eenheden van het Achtste Volksleger. Het doel was vooral het saboteren van spoorwegen en communicatielijnen die cruciaal waren voor de Japanse militaire logistiek. Aanvankelijk boekten de Chinezen aanzienlijke successen en verstoorden ze het Japanse transportnetwerk grondig. De Japanse reactie was echter hard, met zware tegenaanvallen en wreedheden tegen de burgerbevolking. Strategisch had het offensief een beperkt militair effect, maar het toonde wel de slagkracht van de communistische troepen en versterkte hun politieke positie.
Daarnaast was er ook nog de ‘Tunneloorlog’ in Hebei (1942–1945). In tientallen districten groeven CPC-milities ondergrondse netwerken van gangen, schuilplaatsen en opslagplaatsen. Deze tunnels lieten guerrillagroepen toe om hinderlagen te leggen, wapens te verbergen en zich onzichtbaar te verplaatsen. Voor Japan werd de regio een labyrint waar geen enkel garnizoen zich ooit veilig voelde.
Onder leiding van Nie Rongzhen bouwde de CPC in de driehoek Beijing–Shanxi–Hebei (zo’n 500.000 km2) een zone uit met eigen scholen, ziekenhuizen, rechtbanken, productiecoöperaties en zelfs kleine wapenwerkplaatsen. Ondanks voortdurende Japanse zuiveringsoperaties, slaagde de CPC erin om vanuit de Jin-Cha-Ji-basis (1939–1943) een embryonaal, maar stabiel bestuur te leiden voor meer dan 25 miljoen mensenlevens.
Japan van zijn kant probeerde het verzet uit te roeien met de zogenaamde ‘3-all-operaties’ (kill all, loot all, burn all). De CPC antwoordde met een campagne van permanente sabotage. In sommige maanden tussen 1943 en 1944 raakte meer dan 1.000 kilometer spoorlijn beschadigd of vernietigd. De Japanse logistiek in Noord-China stortte dan ook gedeeltelijk in. Konvooien deden plots dagen over trajecten die vroeger uren kostten.
Lang vóór de Amerikaanse ‘Flying Tigers’ arriveerden, liep een deel van de Sovjetsteun richting China via de westelijke provincie Xinjiang. Communistische eenheden bewaakten delen van deze routes en dwongen Japan tot voorzichtigheid in gebieden waar het anders misschien zou zijn binnengevallen.
Al deze voorbeelden tonen aan dat het communistische verzet geen randfenomeen was, maar een front dat de oorlog vertraagde, versplinterde en voor Japan onwinbaar maakte.
Dreigende burgeroorlog
Naast het verzet in de bezette zones waren er ook nog de ‘open veldslagen’ tussen het Japanse leger en het Chinese eenheidsleger. Zowel de KMT als de CPC namen hieraan deel en leden samen zware verliezen. Ze wisten allebei echter ook dat er na de overwinning op Japan een nieuwe burgeroorlog dreigde. Die latere politieke en militaire strijd (1945-1949) mondde uit in de overwinning van het Chinese Volksleger o.l.v. Mao Zedong. De uiteindelijke overwinning van de communisten mag de geschiedenis van de oorlog echter niet retroactief herschrijven. Vanaf het begin van de Japanse invasie koos de CPC bewust voor de confrontatie met het keizerlijke leger en betaalde daarvoor een hoge prijs. De CPC-guerrilla verzwakte de Japanse controle, ondermijnde hun logistiek en demoraliseerde de garnizoenen.
De KMT voerde ondertussen ook conventionele veldslagen in steden als Shanghai, Wuhan en Changsha. Een correcte weergave van de historische feiten luidt dan ook dat beide Chinese hoofdrolspelers samen een tweeledig Chinees front organiseerden, dat de Japanse oorlogsmachine zwaar belastte.
Eigen inkleuring
Het klopt dat de CPC bij de viering van 80 jaar overwinning op het Japanse keizerrijk een eigen, (meer) heroïsche interpretatie presenteerde van haar leidende rol in de overwinning van ‘het nationaal verenigd front tegen Japan’. De versie dat de CPC in die strijd de belangrijkste partner was, is allicht wat ingekleurd door haar eigen politieke analyses (en belangen) van vandaag. Bij het vieren van een overwinning zet iedereen wel eens een stoere borst op. Veel kwaad berokken je er alleszins niet mee.
Dat is iets heel anders dan wat de rechts-conservatieve versies van een Haski, een Bannon en een Kallas ervan maken. Hun discours dat het communistische China zich ‘gespaard’ zou hebben, past in een bredere tendens om de niet-westerse bijdragen aan de geallieerde overwinning te minimaliseren. Voor een deel van de hedendaagse publieke opinie redde de VS Europa vrijwel alleen. Over de miljoenen Russische doden reppen ze met geen woord meer.
Een vergelijkbaar mechanisme dreigt nu de Aziatische oorlogsgeschiedenis te vervormen. Wie de rol van de CPC ontkent, ontkent de inzet van miljoenen Chinese burgers, boeren, milities en soldaten die vochten in onherbergzame gebieden waar het keizerlijke Japan nooit vat op kreeg.
De coalitie die nazi-Duitsland en het keizerlijke Japan versloeg, was heterogeen en kende veel onderlinge spanningen. Dat maakt haar geschiedenis complex, maar zeker niet minder feitelijk.
China — arm, verdeeld en slecht bewapend — droeg een onevenredige last.
Het land vocht langer dan wie dan ook, verloor meer burgers dan wie dan ook, en hield een aanzienlijk deel van het Japanse leger gebonden. Dat erkennen is geen politieke keuze, maar een historische verantwoordelijkheid. In 1937, toen de eerste Japanse troepen het noorden van het land binnenvielen, begon voor China een nachtmerrie die acht jaar duurde. Toen de oorlog in Europa nog moest beginnen, waren er in China al miljoenen doden gevallen. Acht jaar later stond de balans op 20 miljoen slachtoffers en 100 miljoen ontheemden, een menselijke catastrofe van onvoorstelbare proporties. Dat fundamentele gegeven is vandaag in veel westerse analyses amper terug te vinden. Sterker nog: het debat gaat vaak niet over China’s offers, maar over de vraag of de CPC überhaupt wel heeft deelgenomen aan de gevechten.
Over de auteur:
Jan Reyniers studeerde Germaanse filologie in Antwerpen. Hij was enkele jaren actief als leraar en freelance journalist tot hij zijn ware roeping vond als vertaler en redacteur bij de uitgeverij EPO. Hij vertaalde en redigeerde er hoofdzakelijk de ‘grote linkse Amerikanen’. In 2019 waagde hij zich aan een historische roman Kleine mensen, Grote Oorlogen (EPO), waarvoor hij inspiratie vond in de arbeidersgeschiedenis van zijn ouders en grootouders. Daarnaast schrijft en vertaalt hij artikels voor De Wereld Morgen, Lava, en recent ook voor Chinasquare.
Meer over de recente Japanse provocaties tegenover China hier
