Volgende maand arriveert een delegatie van Sonangol, het Angolese staatsoliebedrijf, in Beijing. In deze turbulente tijden met stijgende olieprijzen, wil Sonangol met China onderhandelen over een extra lening van 4,8 miljard dollar voor de verdere uitbouw van haar raffinaderij in Lobito, zo blijkt uit een bericht van Reuters. Een akkoord over die lening kan een nieuwe fase inluiden in een van Afrika’s meest succesvolle bilaterale partnerschappen.
Jan Reyniers

Het verhaal van de Chinees-Angolese relatie is er een van wederzijds voordeel. Toen Angola na decennia van burgeroorlog in 2002 voor de uitdaging stond om een compleet verwoest land weer op te bouwen, waren westerse financiële instellingen terughoudend. China zag een kans en bood een alternatief: leningen, snel en zonder politieke voorwaarden. ZE moesten wel worden terugbetaald met olie.
Wat volgde was een diepgaande transformatie. Chinese staatsbanken verstrekten miljardenleningen, en in ruil daarvoor kreeg China toegang tot de stabiele olievoorziening die het voor zijn razendsnelle economische groei nodig had. Angola werd een van China’s belangrijkste handelspartners in Afrika, en China werd Angola’s grootste crediteur en infrastructurele partner.
Wegen, scholen en ziekenhuizen
De impact op het terrein was immens. Overal in Angola verrezen projecten die door Chinese bedrijven werden gebouwd en met olie werden betaald. Het Cacuaco-ziekenhuis in de hoofdstad Luanda, 20.000 km aan wegen die de provincies met elkaar verbinden (waaronder een Noord-Zuid autostrade), 30.000 km aan spoorwegen (waaronder de volledige vernieuwing van de Benguelaspoorlijn), het nieuwe gebouw van de Nationale Assemblee, … allemaal tastbare bewijzen van een samenwerking die resultaten oplevert.
In een Xinhua-interview (31/08/2022) zei Luis Cupenala, voorzitter van de Angola-China Kamer van Koophandel: “Toen Angola in 2002 een einde maakte aan de langdurige burgeroorlog die de infrastructuur had verwoest, klopte de Angolese regering aan bij verschillende internationale financiële instellingen om steun te vragen. China was het enige land dat Angola onvoorwaardelijk te hulp schoot en middelen ter beschikking stelde.”
Die ‘match’ gaf Angola de middelen om in recordtempo op te herbouwen, zonder de strenge eisen van het IMF of de Wereldbank. Het stelde China op zijn beurt in staat om zijn invloed in Afrika uit te breiden en zijn bedrijven ervaring te laten opdoen in grote infrastructurele projecten. Zuid-Zuid-samenwerking uit het boekje!
Nieuwe fase, zelfde partnerschap
Maar elk succesvol partnerschap moet meegroeien met de omstandigheden. Toen de olieprijzen in 2014-2016 kelderden, werd duidelijk dat het model van de door olie gedekte leningen ook kwetsbaarheden kende. Angola voelde de druk van terugvallende inkomsten, en beide partijen gingen opnieuw aan tafel. Het resultaat is de fase waarin we nu zitten. Angola is sinds 2017 gestopt met het aangaan van nieuwe, grote olie-gedekte leningen. Niet uit onvrede, maar uit een gedeeld besef dat de relatie toe was aan een volgende stap. In plaats van algemene begrotingssteun, verschoof de focus nu naar specifieke, strategische projecten waar beide landen baat bij hebben.
Hoge olieprijzen als buffer, niet als valkuil
In het akkoord over schuldherschikking van 2020 werd een speciale clausule opgenomen. Wanneer de olieprijs boven de 60 dollar per vat uitkomt (zoals vandaag ruimschoots het geval is), worden de extra Angolese inkomsten gestort in een reservefonds voor toekomstige aflossingen. De huidige prijzen pompen dat fonds nu vol, waardoor Angola zijn bestaande verplichtingen makkelijker kan nakomen en tegelijkertijd investeerdersvertrouwen uitstraalt voor nieuwe projecten. Met andere woorden: een Chinees duwtje in de rug verplichtte Angola in 2020 een automatische spaarpot op te bouwen, een spaarpot die vandaag heel wat nieuwe kansen creëert.
De geopolitieke context: kritische noodzaak
Nu de Israëlisch-Amerikaanse oorlog tegen Iran volop is losgebarsten, schieten de olieprijzen wereldwijd de hoogte in. Voor de export van ruwe olie betekent dat ‘kassa’ voor de Angolese olie-export. Deze ontwikkeling heeft voor Angola een dubbel effect: enerzijds maakt ze het land kredietwaardiger, anderzijds versterkt ze het strategische belang van een lokale verwerking. Hoe langer de wereldmarkt onstabiel blijft, hoe waardevoller het is om een eigen raffinaderij te hebben in de buurt van de centraal gelegen havenstad Lobito. Die staatsraffinaderij moet het land beschermen tegen prijsschommelingen voor energie-import.Het doel is dus helder: Angola wil minder afhankelijk worden van de dure import van (geraffineerde) brandstof door zijn eigen olie lokaal te verwerken.
Met een investering van $6,2 miljard en een capaciteit van 200.000 vaten per dag moet dit de grootste raffinaderij van Angola worden.Door de stijgende prijzen en de nieuwe geopolitieke realiteit moet Angola in staat worden geacht om een substantieel deel van de investeringen voor eigen rekening te nemen. Maar de eigen middelen volstaan helaas niet in de opstartfase.
Sonangol moet voor dit megaproject onderhandelen over een nieuwe lening van 4,8 miljard dollar met Chinese financiële staats- en privébanken. Wat deze contractbesprekingen speciaal maakt, is dat de lening niet langer olie als onderpand heeft. De lening zal worden terugbetaald met de te verwachten inkomsten van de nieuwe raffinaderij. Het gaat hier dus om een fundamenteel andere dynamiek: China investeert niet langer uitsluitend in Angola’s verleden (ruwe olie), maar in Angola’s toekomstige industriële productie.
De kern van de transitie
De timing voor deze transitie is gunstig en toont aan dat de relatie tussen Luanda en Beijing volwassen genoeg is geworden voor complexere financieringsvormen. Was de initiël dynamiek er een van ‘overlevingshulp’ na de bloedige burgeroorlog, waarbij China snel de nodige fondsen aanleverde in ruil voor olie, evolueren beide landen vandaag tot een strategisch partnerschap. Waar het voordien draaide om liquiditeit (geld voor heropbouw), draait het nu om investeringen in de ontwikkeling van productieve, industriële capaciteit. China toont zich een flexibele partner die meebeweegt met de industriële ambities van Angola, en Angola neemt meer verantwoordelijkheid op voor de projecten die het zelf ontwikkelt. Het risico wordt gedeeld, maar ook de resultaten voor de lange termijn.
De bestaande Angolese schulden worden overigens gestaag afgebouwd. De olie-gedekte schuld aan China daalde van 10,1 miljard dollar in 2024 naar 7,7 miljard dollar in 2025. Het is een teken dat het oude model zijn werk heeft gedaan en Angola nu de ruimte heeft om vooruit te kijken. De daling zette zich overigens verder door in de loop van 2025.
Een win-win voor de toekomst
Voor China betekent de verschuiving naar projectfinanciering niet dat het aan invloed inboet. Chinese bouwbedrijven blijven naar verwachting een belangrijke rol spelen bij de aanleg van de raffinaderij, en de technologische kennis die China meebrengt is onmisbaar. Het is een evolutie van steunende schuldeiser naar gelijkwaardige partner in ontwikkeling.
Voor Angola opent het de deur naar een toekomst waarin het niet langer alleen grondstoffen exporteert, maar ook industriële capaciteit opbouwt. De Lobito-raffinaderij moet uiteindelijk niet alleen voorzien in de eigen behoefte, maar heeft de ambitie om ook overschotten te produceren voor de bredere regio.
Of de onderhandelingen in april tot een akkoord leiden, moet nog blijken. Maar de richting is duidelijk. Het Chinees-Angolese partnerschap, ooit geboren uit noodzaak, heeft zich bewezen als veerkrachtig en aanpasbaar. Van leningen voor wederopbouw zijn we nu beland bij gezamenlijke investeringen in industriële ontwikkeling. Dat is niet het einde van een tijdperk, maar de volgende logische stap in een relatie die beide landen sterker maakt.
Bron: https://sa.marketscreener.com/news/angola-s-state-oil-firm-sonangol-seeks-4-8-billion-loan-from-china-for-refinery-ce7e5cdbd08cf721
