British Steel, een bedrijf dat eigendom was van het Chinese Jingye, is onlangs door de Britse overheid op controversiële manier onteigend.

Deze opinie van de linkse activist Carlos Martinez verscheen in het Chinese tijdschrift Beijing Review. We nemen het over met toestemming van de auteur. De vertaling uit het Engels is van Chinasquare/Frank Willems
Standpunten in opiniestukken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur
Socialisten hoeven niet overtuigd te worden van de voordelen van nationalisatie. Publiek eigendom van de staalsector, een basisindustrie waarvan de bouw, spoorwegen, energie en scheepsbouw allemaal afhankelijk zijn, is al bijna een eeuw een eis van de Britse arbeidersbeweging. Daarom verwelkomden de Britse vakbonden het besluit van de regering, dat op 16 juli van kracht werd, om British Steel volledig in staatseigendom te brengen.
Maar daar eindigt het verhaal niet. Wat de Britse regering heeft gedaan, is niet simpelweg de terugkeer van een strategische industrie; het is de onteigening, terwijl of en hoeveel compensatie zal betaald worden nog ter discussie staat, van een Chinees bedrijf dat Groot-Brittannië zelf zes jaar geleden had uitgenodigd om die industrie te redden. Jingye Group, dat British Steel in 2020 overnam, eist ‘volledige compensatie’ en dreigt met internationale arbitrage, terwijl de Britse regering stelt dat de commerciële waarde van het bedrijf nihil is en mogelijk niets zal betalen.
Een reddingsactie beloond met onteigening
British Steel ging in 2019 failliet en er kon geen Britse koper worden gevonden. In maart 2020 kocht de Jingye Group, in een deal die door de Britse overheid zelf was bemiddeld, het bedrijf voor ongeveer 70 miljoen pond (destijds circa 90 miljoen dollar), beloofde 1,2 miljard pond (circa 1,53 miljard dollar) aan investeringen en verzekerde meer dan 3.200 banen – banen die anders verloren zouden zijn gegaan, samen met naar schatting 20.000 andere banen in de toeleveringsketen, in regio’s waar er voor de mensen vrijwel geen andere werkgelegenheid was
De Britse politicus Alok Sharma (gewezen conservatief minister) prees de verkoop als ‘een belangrijk blijk van vertrouwen in de Britse staalindustrie’. Jingye hield zich aan zijn woord: in de loop van vijf jaar investeerde het de beloofde bedragen in de modernisering van de fabriek en de apparatuur, maakte het bedrijf korte tijd weer winstgevend en hield het zowel de hoogovens als de loonadministratie draaiende in een periode waarin de Britse industriële energieprijzen tot de hoogste in de ontwikkelde wereld behoorden.
Wat het bedrijf de das om deed, was niet Chinees bedrog, maar de wereldmarkt: chronische wereldwijde overcapaciteit, een verdere stijging van de energiekosten en uiteindelijk het 25 procent importtarief van de Amerikaanse president Donald Trump op Brits staal, dat in maart 2025 werd ingevoerd. Op dat moment meldde Jingye dat Scunthorpe, de locatie van de laatst overgebleven geïntegreerde staalfabriek in het Verenigd Koninkrijk, ongeveer 700.000 pond (destijds zo’n 952.000 dollar) per dag verloor – een cijfer dat ministers en commentatoren tijdens de onderhandelingen openlijk afdeden als een overdrijving
Die spot is inmiddels verstomd: nu de fabriek in publieke handen is, worden de kosten voor de belastingbetaler om de fabriek draaiende te houden, conservatief geschat op bijna het dubbele van dat verlies.
Jingye had dezelfde oplossing voorgesteld die overal elders in de industrie werd toegepast: de verouderde hoogovens vervangen door schonere elektrische vlamboogovens, en het bedrijf vroeg om ongeveer 1 miljard pond (circa 1,33 miljard dollar) aan staatssteun voor de transitie. De regering bood ongeveer de helft daarvan aan, weigerde toe te geven en liet de gesprekken mislukken. Toen Jingye daarom besloot de fabriek te sluiten, omdat er geen realistisch alternatief meer was, nam de regering in april 2025 de operationele controle over. In juli van dit jaar voltooide ze, onder verwijzing naar de noodzaak om een ’vitale nationale capaciteit’ te beschermen, de volledige nationalisatie.
Met een truc waarbij ze alle gebruikelijke zakelijke regels negeerde, verklaarde de regering de commerciële waarde van British Steel nul ; ze beloofde slechts in het najaar een compensatieregeling wettelijk vast te leggen. Volgens deze regeling zal een onafhankelijke schatter bepalen ‘of en hoeveel’ betaling aan Jingye verschuldigd is. Van een bedrijf dat meer dan 1,2 miljard pond heeft uitgegeven om een Brits industrieel icoon te redden, wordt dus verwacht dat het tevreden is met de hoop dat het iets meer dan nul ontvangt.
Jingye noemde de inbeslagname ‘flagrante afpersing en een flagrante schending van het internationaal recht’, startte overleg in het kader van het bilaterale investeringsverdrag tussen China en het Verenigd Koninkrijk en verklaarde ’tot het bittere einde volledige compensatie via juridische middelen na te streven’.
Het Chinese Ministerie van Handel heeft verklaard dat het zich ‘krachtig verzet tegen en zeer ontevreden is over’ een besluit dat ‘ernstig inbreuk maakt’ op de rechten van Jingye en ‘het vertrouwen van Chinese bedrijven die in het VK investeren ernstig ondermijnt’.
De tegenstrijdigheid in het Britse standpunt is gemakkelijk te herkennen. Een staalfabriek kan niet tegelijkertijd een vitaal nationaal bezit zijn – de laatste fabriek in Groot-Brittannië die nog staal uit erts kan produceren, de leverancier van 90 procent van de spoorwegrails – én waardeloos. Als de waarde ervan voor Groot-Brittannië strategisch en immens is, dan moet de staat die de fabriek overneemt ervoor betalen.
De Tata-test
Dat dit over China gaat, en niet over staal, blijkt uit een eenvoudige vergelijking. De Tata Steel-fabriek in Port Talbot in Zuid-Wales stond voor een zeer vergelijkbare crisis: verouderde hoogovens, zware verliezen en een vraag naar staatssteun. Voor het Indiase bedrijf werd het geld gevonden: een subsidie van 500 miljoen pond (665 miljoen dollar) voor de omschakeling naar elektrische vlamboogovens, die werd toegekend ondanks het feit dat Tata 2.500 banen schrapte. En Tata bleef eigenaar.
Dezelfde deal die de Britse regering weigerde te overwegen voor een Chinese eigenaar, sloot ze wel met een Indiase. Niemand stelde voor om Tata’s activa te nationaliseren zonder compensatie. Niemand eiste een ‘urgente veiligheidsbeoordeling’ van Indiase investeringen in Britse infrastructuur. Geen enkele prominente politicus suggereerde dat Tata’s harde onderhandelingen een complot van New Delhi waren om een strategische Britse industrie te saboteren – beschuldigingen die expliciet en herhaaldelijk werden geuit aan het adres van Jingye en Beijing, door een koor van Britse critici met de controversiële politicus Nigel Farage voorop, en waarin ook een groot aantal Labour-stemmen doorklonken.
En stel je voor dat Scunthorpe eigendom was geweest van een Amerikaans bedrijf dat, na jaren van verliezen, staatssteun zocht voor decarbonisatie en dreigde met sluiting toen die werd geweigerd. Gelooft iemand ernstig dat een Britse regering de fabriek in beslag zou nemen, waardeloos zou verklaren en de Amerikaanse eigenaar zou vertellen dat hij het oordeel van een ‘onafhankelijke schatter’ moest afwachten over de vraag of hij überhaupt ergens recht op had? De diplomatieke gevolgen van het onteigenen van Amerikaans kapitaal zijn duidelijk iets waar geen enkele Britse regering aan zou willen denken.
Wat een ernstige regering zou doen
Ondertussen heeft Groot-Brittannië zichzelf een cadeau gedaan waar het geen raad mee weet. Nadat de regering het transitieplan van Jingye had afgewezen als te duur, bezit ze nu dezelfde verouderde hoogovens, lijdt ze dezelfde verliezen en heeft ze nog geen plan voor de toekomst van de fabriek bekend gemaakt. De Nationale Rekenkamer meldt dat de exploitatie van Scunthorpe de belastingbetaler al 377 miljoen pond (501 miljoen dollar) heeft gekost, een bedrag dat naar verwachting in 2028 de 1,5 miljard pond (1,9 miljard dollar) zal overschrijden – aanzienlijk meer dan de deal die Jingye oorspronkelijk voorstelde zou hebben gekost.
Dit betekent niet dat de nationalisatie moet teruggedraaid worden. Het vereist wel een eerlijke en rechtvaardige afronding: een snelle, adequate en effectieve compensatie, vastgesteld na echte onderhandelingen. Het vraagt ook samenwerking met China – dat al zijn nieuwe staalfabrieken in 2024 als elektrische vlamboogovens heeft gebouwd – als de voor de hand liggende partner voor de groene transformatie die Scunthorpe nodig heeft.
De waarschuwing van Jingye, ‘Wie anderen schaadt, schaadt uiteindelijk zichzelf, en gebroken beloftes zullen altijd averechts werken.’ is er een waar de nieuwe Britse regering onder leiding van premier Andy Burnham, die op 20 juli aantrad, best eens goed over na zou denken.
Bron: https://www.bjreview.com/Opinion/Voice/202608/t20260803_800443378.html
