Kunnen we China vertrouwen?

‘Kunnen we China vertrouwen? Een andere blik op een land in transitie’ van Pascal Coppens is een boek dat zijn titel waar maakt. Het kijkt met een open blik naar een zeer brede waaier van controversiële beweringen over China en reikt ons zo de elementen aan om te antwoorden op de titelvraag. Volgens Coppens kunnen we niet alleen China – voorwaardelijk- vertrouwen, maar hebben we eigenlijk ook geen andere keuze.

In het voorwoord maakt de auteur zijn visie duidelijk. De rol van Europa in de wereld zit historisch in een dalende lijn, Azië en zeker China komen op. Die transitie tegengaan is futiel. De toekomstige relevantie van Europa hangt af van de mate waarin het weet samen te leven en samen te werken met China.

Als sinoloog en technologieondernemer publiceerde hij eerder een boek over dit thema. De voorbije jaren botst hij echter steeds meer op een negatieve berichtgeving over China in de (sociale) media met waarneembare gevolgen op de opinie van zijn publiek. In zijn nieuwe boek brengt hij daarom onder het thema ‘Kunnen we China vertrouwen’ een catalogus van alle mogelijke negatieve (voor)oordelen die momenteel de ronde doen, vraagt zich af wat er van waar is en hoe men toch kan samenwerken zonder het over alles eens te zijn.

Om orde in die diverse thema’s te scheppen heeft hij alle opmerkingen over China gegroepeerd in acht ‘cirkels van vertrouwen’, van de meest private (liegt een Chinese vriend tegen mij?) over diverse maatschappelijke niveaus ( familie, werk, maatschappij, partij) tot opvattingen over het land, de wereld en zelfs het universum. Dat maakt het geheel ondanks de vele thema’s coherent en goed leesbaar.

Hoe gaat Coppens te werk? Hij neemt een specifiek (voor)oordeel over China en kijkt als Europeaan nuchter wat er logisch van klopt en wat verkeerd is. Vervolgens bekijkt hij hetzelfde fenomeen met een Chinese bril. Dat kan hij perfect als sinoloog die twintig jaar in China leefde en werkte en Chinese familie heeft. Meestal laat hij het daarna aan de lezer over om de conclusie te trekken. Dikwijls blijken de visies twee kanten van de medaille die elkaar niet uitsluiten. Dat ondersteunt het onderliggend pleidooi voor een beter begrip en nauwere samenwerking met China.

Enkele voorbeelden van deze dubbele blik: ‘Chinezen stelen, kopiëren en spioneren’ vs ‘Het Westen houdt China in een dwangbuis’. ‘Het gele gevaar’ vs ‘Het westers imperialisme’. ‘Alles uit China is rommel’ vs ‘Wie niet wil betalen krijgt rommel’. ‘China is een controlestaat zonder vrijheid’ vs ‘Chinezen voelen zich even vrij als westerlingen’. ‘China’s ideologie is onverzoenbaar met de onze’ vs ‘Het Westen heeft geen patent op de democratie’. ‘China schendt de mensenrechten’ vs ‘Het Westen schendt de mensenrechten’.

De auteur kent geen taboes. Ook hete hangijzers worden vakkundig gefileerd. De ‘strenge aanpak’ van Covid. ‘China is een dictatuur’. ‘China is een surveillancemaatschappij’. ‘China onderdrukt Hongkong en wil Taiwan veroveren’. ‘De Oeigoeren worden wreedaardig onderdrukt’. ‘China is neokolonialistisch in Afrika’. Wie dit boek leest blijft echt niet op zijn honger.

De aanpak van Coppens is volledig op feiten gebaseerd. Hij vermijdt expliciete politieke standpunten. Zo komt bijvoorbeeld de vraag of China nu echt socialistisch is niet aan bod. Noch de vraag wat de westerse waarden die sommigen tegen China willen/moeten verdedigen nu echt inhouden.

Elk van de acht voornoemde kringen krijgt één hoofdstuk. Elk hoofdstuk begint met een reeks vragen waar westerlingen mee zitten en die verder uitgewerkt en beantwoord worden. Dat gebeurt met feiten, argumenten maar ook met aparte rubrieken met concrete case studies.

In een inleidend hoofdstuk heeft de auteur het vooral over de verschillende manieren van denken en voelen, het Chinese yin-yang dat zo verschilt van het westerse zwart-wit denken. Hij vraagt China niet statisch te bekijken maar als een land in volle ‘transitie’, en evenmin als een monoliet, maar als een grote verscheidenheid.

Het hoofdstuk over het individu beschrijft hoe de Chinese psyche historisch gegroeid is, met als laatste belangrijke evenementen de culturele revolutie en de revolutionaire hervormingen sinds 1978. In dit hoofdstuk leren we onder meer hoe de Chinees aankijkt tegen privacy en de sociale kredietscore en wat hij verwacht van de media en de censuur.

In het hoofdstuk over familie en vrienden wordt China beschreven als een ‘relationele’ maatschappij. Vrouwenemancipatie, gescheiden families door interne migratie, vergrijzing, de sociale rol van digitalisering zijn enkele van de subthema’s.

Coppens gaat uitvoerig in op werk en team, een domein dat hem professioneel het beste ligt. Hij analyseert gedetailleerd de verschillen tussen westerse en Chinese managementstijl, inclusief de voor- en nadelen in specifieke omstandigheden. Daarbij beantwoordt hij ook de cruciale vraag of de Chinese hiërarchie innovatie en creativiteit belemmert. Hij komt hier op het thema van zijn vorige boek. Europa onderschat de technologische dynamiek van China. China is de toekomst en Europa heeft geen andere keuze dan mee op die trein te springen.

Een volgend hoofdstuk is gewijd aan netwerken en groepen, min of meer wat wij de civiele maatschappij noemen. De auteur raakt hier aan enkele meer controversiële aspecten, zoals de dissidenten als Ai Weiwei – die hij bewondert maar eigenlijk irrelevant vindt -, de over het algemeen positieve houding van Han-Chinezen tegenover etnische minderheden, de tolerante politiek tegenover erkende godsdiensten, inclusief de islam. Dat er weinig openlijk protest is betekent niet dat er geen netwerken en kanalen zijn via dewelke de verzuchtingen van de bevolking tot bij de bestuurders komen, die er ook rekening mee dienen te houden. Dit hoofdstuk heeft het verder over ‘stille revoluties’: In China gebeuren grote veranderingen zonder dat daar altijd disruptieve bewegingen voor nodig zijn: voorbeelden zijn de verbetering van de lgbtq situatie, de vrouwenemancipatie of de ‘key influencers’ in de sociale media.

Ook in de hoofdstukken over ‘het systeem’ en ‘de natie’ worden hete hangijzers aangepakt. ‘ Wat betekent vrijheid voor Chinezen? Vertrouwen Chinezen de Communistische Partij? Is de Partij een gevaar voor de Chinese bevolking en de wereld? Waarom willen Chinezen niet meer vrijheid en democratie? Leven alle Chinezen in angst en in een dystopische realiteit? Is China een controlestaat en Xi Jinping een dictator? ‘ Waarom zouden we een regime dat de mensenrechten schendt nog vertrouwen? Is Hongkong niet het bewijs dat China niet te vertrouwen is? Wordt China terug nationalistischer, meer totalitair en gesloten? Legt de Communistische Partij de privébedrijven terug aan de ketting? Wil Beijing de dollar van zijn troon stoten? ‘
Ik laat de lezer zelf de goed onderbouwde antwoorden van Coppens ontdekken. Als teaser verklap ik dat hij het ultranegatief westers narratief over de onderdrukking van de Oeigoeren grotendeels onderuit haalt en dat hij ook van Hongkong en Taiwan niet vies is.

Een volgend hoofdstuk heeft het over China en de wereld. Is China een gevaar of een opportuniteit voor ons? De auteur stelt vast dat China de voorbije tientallen jaren veel zelfbewuster geworden is. Recentelijk werd het ook diplomatiek assertiever. Maar betekent dit echt dat China de wereldheerschappij nastreeft, als opvolger van de VS? De nieuwe zijderoute passeert de revue, met uitweidingen over de zogenaamde ‘schuldenval’ en de Chinese aanwezigheid in Afrika. In verband met de geschillen in de Zuid-Chinese zee en over Taiwan wijst de auteur op de rol van de VS als aanstoker. China wil volgens hem geen wereldheerser worden; maar het wil bijvoorbeeld wel het leiderschap verwerven op technologisch en op milieugebied. Het is aan het Westen om daarop in te spelen; China blijft het Westen immers nodig hebben als klant en als leverancier.

Het laatste van de acht kringen beslaat het culturele universum, in dit geval een beetje een verzamelbak van elders niet behandelde thema’s. ‘Hoe realistisch is de propaganda voor een harmonieuze maatschappij voor iedereen? Wordt het geld van superrijke Chinezen binnenkort herverdeeld? Waarom is Xi Jinping zo populair als leider?’

Dit hoofdstuk gaat onder meer dieper in op het scharnierjaar 2001, toen China mocht toetreden tot de Wereldhandelsorganisatie, Beijing de Olympische spelen van 2008 toegezegd kreeg en VS-president Bush de strijd tegen het terrorisme naar voren schoof als belangrijker dan die tegen het communisme. Het behandelt ook de nieuwe koude oorlog die de VS lanceert tegen China met de gevolgen op het Chinese denken en handelen en analyseert objectief– in nog onverdachte vooroorlogse tijd – de samenwerking tussen Rusland en China.

In het afsluitend hoofdstuk brengt Coppens een synthese van elk van de acht ‘cirkels van vertrouwen’. Het nieuwe China heeft volgens hem drie doelstellingen: Onafhankelijkheid – zijn eigen doelen kunnen bepalen en nastreven op zijn manier – , mensgerichtheid – het leven van zijn inwoners verbeteren – , en erkenning van zijn positie in de wereld – een multipolaire wereld zonder overheerser. Tot slot stelt hij opnieuw de vraag: ‘Kunnen we China vertrouwen?’

Ziehier zijn antwoord: ‘Ja, ik vertrouw China en de Chinezen. Zeker niet blindelings, maar ook niet minder dan mijn eigen vaderland België of mijn Belgische landgenoten… Mijn doel was zeker niet om te overtuigen dat we China nu blindelings kunnen vertrouwen, net het tegenovergestelde. We kunnen China namelijk pas echt leren vertrouwen door heel kritisch te blijven over alles wat daar gebeurt, beslist wordt en beweegt. Maar uiterst kritisch zijn betekent niet alleen kritiek uiten, maar ook openstaan voor een andere belichting … We mogen zelfs gerust nog wat kritischer worden voor China, maar moeten ook aandurven om kritischer naar onszelf te kijken. Anders zullen we de vele kansen die de transitie van China ons biedt, missen. Het is niet onmogelijk dat onze huidige anti-China-houding zelfdestructie wordt’

Dit boek is vlot geschreven en zonder problemen leesbaar voor lezers met weinig of geen voorkennis van China. De leesbaarheid en overtuigingskracht worden geholpen doordat Coppens uitvoerig put uit zijn eigen ervaringen met leven, werken en reizen in China om zijn gedachtegang te illustreren. Specialisten zullen er toch nog interessante nieuwe denkpistes in vinden.

De uitgave zelf is mooi verzorgd, met rustgevende grafische illustraties tussen elk hoofdstuk, en ondertitels in kleuren die een duidelijke structuur aanbrengen.

Kunnen we China vertrouwen? Een andere blik op een land in transitie’, Pascal Coppens, Uitgeverijen Pelckmans en Van Duuren Management, 2022; 328 blz.

Print Friendly, PDF & Email

1 comment for “Kunnen we China vertrouwen?

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.