Chinese bedrijven staan onder streng toezicht en verhogen hun normen in plaats van ze te verlagen. Op het gebied van milieu trotseren Chinese bedrijven in het buitenland de stereotypen.
Dit is een gastbijdrage van Su Liang op de Engelstalige substack BeijingChannel. Su Liang is werkzaam bij Xinhua News Agency en gespecialiseerd is in economische verslaggeving. De Nederlandse vertaling en de tussentitels zijn van Jan Reyniers.

De zin “Op het gebied van milieu trotseren Chinese bedrijven in het buitenland de stereotypen,” stond onder een foto op de socialemediapagina van een lokale krant in Bor. Bor is een klein mijnstadje in het oosten van Servië. De foto toonde een bescheiden tuin met rode tulpen in bloei. Een onwaarschijnlijk beeld met op de achtergrond de staalgrijze contouren van een kopersmelterij. Het was begin 2024 en tijdens het diner die avond schoof Guozhu Qiu, toen eind veertig, zijn telefoon over de tafel zodat ik het zelf kon zien.
Bor leeft al meer dan een eeuw met mijnen. In 1904 begon een Frans bedrijf er voor het eerst koper te winnen uit de omliggende heuvels. Sindsdien bepaalt mijnbouw de economie en de identiteit van de stad. Generaties families verdienden hun brood onder de grond of in de open mijnen. Bloemen maakten geen deel uit van de lokale verbeelding; kale hellingen, afvalbassins en industrieel stof wél. Na de oorlog in Kosovo (1998-1999) verwierven verschillende westerse bedrijven belangrijke mijnbouwactiva in het gebied. Ze investeerden weinig in modernisering en concentreerden zich in plaats daarvan op de winning van erts dat dicht bij de oppervlakte lag. Toen die voorraden uitgeput waren, lieten ze de mijnen achter. Aan het begin van de 21ste eeuw bleef Bor achter met een verwoest landschap en wijdverbreide werkloosheid.
Een wolk van scepsis
Volgens de lokale media waren het Chinese investeringen en technologie die een heropleving aanzwengelden. Ze noemden het zelfs ‘herindustrialisering’. Als directeur van het Chinese bedrijf Zijin Copper Bor startte Qiu in 2018 onder een wolk van scepsis. Vanaf de eerste dag werd hij geconfronteerd met protesten en waarschuwingen. Milieugroeperingen voorspelden een ramp; bewoners vreesden meer vervuiling, meer verwaarlozing, meer verbroken beloften.
“Het was een moeilijke tijd,” vertelde Qiu me. De aandacht van de westerse media was intens en elke operationele beslissing werd onder de loep genomen. Hij legde uit dat zijn team dezelfde normen hanteerde als andere, moderne Chinese mijnbouwprojecten. “Milieubescherming wordt hier niet als een bijzaak beschouwd, maar als een ontwerpprincipe, benadrukte hij. “Duurzaamheid maakte van bij de start deel uit van het proces.”
Een tulpentuin
Ik ben geen mijnbouwexpert en termen als ‘gesloten waterrecyclage’, ‘hoogwaardig afvalbeheer’, ‘realtime milieumonitoring’ en ‘emissiearme smelting’ zeiden me in de praktijk weinig. Wat ik wel begreep, was het symbolische gebaar van Qiu: het aanleggen van een tulpentuin op slechts twintig meter van de smelterij. De bloemen zijn bedoeld om het vertrouwen in de technologie aan te tonen; om te laten zien dat de lucht, het water en de bodem veilig genoeg zijn om leven te laten bloeien.
Volgens Servische toezichthouders voldoet het project aan de nationale en Europese milieunormen en overtreft het deze zelfs in sommige gevallen. Lokale rivieren en landbouwgrond zijn beschermd, terwijl verlaten hellingen worden heraangelegd met frisse vegetatie. De mijn heeft ook nieuwe banen gecreëerd, de infrastructuur verbeterd en gemeenschapsprojecten gefinancierd. “Vroeger,” vertelde een lokale journalist me, “wilden jonge vrouwen met iemand uit Belgrado trouwen. Nu kiezen velen ervoor om hier te blijven.”
De volgende ochtend nam Qiu me mee naar de tuin. Er waren nieuwe tulpen geplant, in rijen van geel, wit en paars. Vorkheftrucks met koperen platen reden gestaag heen en weer tussen de fabriek en het magazijn. Keer op keer passerden ze de bloementuin. Aan de overkant van de weg kleurden de ooit zo kale heuvels langzaam weer groen.
Ik vroeg Qiu of de mijnen er in China ook zo uitzagen. Hij glimlachte en schudde zijn hoofd. “Veel mijnen in China zijn al erg groen,” zei hij. “Dat betekent alleen maar dat we hier nog meer kunnen doen – en dat gaan we ook doen.”
Ook ver buiten Servië
Aan de noordkust van Midden-Java, in de industriezone van Kendal (Indonesië), staat een fabriek die veel clichés tegenspreekt over Chinese buitenlandse investeringen. De fabriek wordt geëxploiteerd door een joint venture onder leiding van Trina Solar. Ze produceert zonnecellen en -panelen, de stille infrastructuur van een energietransitie die zich zelden met veel spektakel aankondigt.
Het complex is eerder overzichtelijk dan imposant. De perimeter is omzoomd met groen, de afwateringskanalen zijn schoon en er hangt geen zichtbare smog boven de daken. Voor de omwonenden is de meest opvallende verandering niet lawaai of vervuiling, maar de stabiele werkgelegenheid en de geleidelijke verbetering van de lokale wegen en voorzieningen.
Binnenin recyclen geavanceerde productielijnen water in gesloten circuits en minimaliseren ze de lozing van chemicaliën. Deze keuzes zijn deels ingegeven door efficiëntie, deels door regelgeving. De Indonesische milieunormen zijn er van toepassing en de bedrijfsleiders benadrukken dat ze die bewust en zonder tegenzin naleven. De fabriek ligt midden tussen dorpen, boerderijen en vissersgemeenschappen. Veel van de werknemers groeiden op in de buurt. Ze pendelen over korte afstanden, krijgen een technische opleiding en keren terug naar hun woonwijken die groen en leefbaar blijven. Voor hen heeft de fabriek het landschap niet vervangen; ze maakt er deel van uit.
Wat deze plaatsen suggereren – stilletjes, zonder slogans – is dat industriële ontwikkeling niet tot een abrupte breuk hoeft te leiden. In Kendal, net als in Bor, heeft de Chinese investering zich aangepast aan de lokale ontwikkelingsdoelstellingen. De lucht is er adembaar, het water bruikbaar en de gemeenschappen blijven er intact. De producten die er worden gemaakt, zullen verre reizen maken, de voordelen ervan blijven tot nu toe dicht bij huis.
Westerse medialeugens
Wanneer ik de berichtgeving over Chinese bedrijven in de westerse media lees, krijg ik vaak een gevoel van dissonantie. Het verhaal dat ze brengen is bekend: Chinese fabrieken zijn gebouwd met weinig aandacht voor het milieu, de arbeidspraktijken houden er geen rekening met de mensenrechten, in de toeleveringsketens heerst dwangarbeid, … De toon is telkens zelfverzekerd, zelfs moralistisch. Toch lijken die commentaren in niets op wat ik heb gezien.
De werkelijkheid is ingewikkelder. Chinese bedrijven die in het buitenland actief zijn, weten best dat één enkele fout kan worden uitvergroot tot een oordeel over het hele land. Daarom exporteren veel Chinese bedrijven niet alleen kapitaal, maar ook geavanceerde milieutechnologieën die in hun eigen land ontwikkeld werden. Ze zijn vaak gretig – soms zelfs onstuimig – om hun inzet voor groene ontwikkeling te bewijzen. Ze weten immers dat reputatieschade zich sneller verspreidt dan welk product dan ook.
Hun benadering van mensenrechten is meestal gericht op ontwikkeling. Ze weten dat banen, infrastructuur, technologie en inkomen belangrijk zijn, vooral op plaatsen die lange tijd uitgesloten waren van de voordelen van industrialisatie. In veel gevallen voldoen de normen van Chinese bedrijven aan die van hun Europese en Amerikaanse concurrenten. Vaak overtreffen ze die zelfs – niet omdat ze daartoe worden gedwongen, maar omdat ze in geen geval achterop willen blijven.
Loze beschuldigingen en campagnes
Waarom dan die aanhoudende beschuldigingen? Een deel van het antwoord ligt in economisch belangen. Westerse bedrijven waren de eersten om ontwikkelingslanden te industrialiseren. Al te dikwijls lieten ze er vervuiling en onopgeloste sociale puinhopen achter. Ondanks hun eigen economische successen en gigawinsten, herstelden ze zelden de schade. In plaats daarvan wierpen ze (voor hun concurrenten) steeds hogere toegangsnormen op – sommige daarvan echt noodzakelijk, maar andere gemakshalve restrictief. Nu Chinese bedrijven de gestelde normen halen en soms zelfs overtreffen, wordt het moeilijker ze uit te sluiten. Het enige westerse wapen dat nog overblijft is een strijd tegen China over het narratief. Loze beschuldigingen en campagnes die twijfel zaaien vertragen Chinese projecten door publieke druk in plaats van door regelgeving. Voor de gastlanden betekent dat geen extra bescherming, maar verlamming.
Daarnaast is er ook nog de controlekwestie. Chinese bedrijven worden onder een vergrootglas gelegd. Routinematige problemen – tijdelijke wegafsluitingen, onderhoudsonderbrekingen, bouwvertragingen – worden als bewijs aangehaald van systeemfalen. Wat elders als normaal wordt beschouwd, wordt in deze context aan één land verweten.
Ten slotte speelt ook de geopolitiek een rol. Strategische concurrentie sijpelt door in talloze fabrieken en bouwplaatsen. Investeringen worden herbenoemd als ‘nieuw kolonialisme’ en samenwerking als een verborgen agenda. Deze termen halen gemakkelijk de krantenkoppen, ook al verhullen ze meer dan wat ze aan het licht brengen. Ze zeggen minder over de fabrieken zelf dan over een wereld die moeite heeft zich aan te passen aan een verschuivende economische macht.
Ondertussen blijven de fabrieken draaien. Werknemers klokken in en uit. Lucht en water worden getest. Heuvels worden groen. Wat boven hen blijft hangen is geen rook, maar wantrouwen. Een wantrouwen dat wordt gecreëerd vér van de plaatsen die het beweert te willen verdedigen.
Bron: BeijingChannel
