Ben Chacko (Recensie)

‘Waarom Mao’s boerenrevolutie verschilde van haar voorgangers’. Onder die titel brengt Ben Chacko, hoofdredacteur van The Morning Star, een enthousiaste recensie van het recentste boek van Jenny Clegg. De recensent noemt Storming the Heavens ‘een meesterlijke analyse die de klassenstrijd weer centraal stelt in onze kijk op de Chinese revolutie’.
Chacko schrijft: de Chinese revolutie is van alle grote revoluties van de 20e eeuw misschien wel die met de duurzaamste draagwijdte. De Russische Revolutie, die een grotere invloed had op het socialistische denken in het Westen, eindigde tussen 1989 en 1991 in een contrarevolutie. Het Chinese volk dat in 1949, zoals Mao zei, ‘was opgestaan’ had het land echter op een pad gebracht dat vandaag de dag de mondiale machtsverhoudingen verandert. De Volksrepubliek China maakt een einde aan bijna vijf eeuwen waarin Europa en zijn koloniale uitlopers de wereld hebben gedomineerd.
De Chinese revolutie werd geleid door een communistische partij. Het was echter geen proletarische revolutie zoals Marx die voor ogen had, maar een revolutie waaraan boeren niet alleen deelnamen (zoals in Rusland), maar waarin zij ook de belangrijkste revolutionaire kracht vormden. Dit zette de meeste traditionele marxistische inschattingen van de boerenstand op zijn kop: dat boeren ‘zichzelf niet kunnen vertegenwoordigen [maar] vertegenwoordigd moeten worden’ (Marx). En de gedachte dat ‘de boeren in het beste geval wankele bondgenoten van de stedelijke arbeiders zijn en vaak zelfs een bastion van economisch en sociaal conservatisme vormen’. Dit is belangrijk, want het is iets dat een internationalistische linkse beweging moet trachten te begrijpen. Immers, de huidige transformatie van de wereld lijkt opnieuw meer te maken te hebben met een Derde Wereld die ‘opstaat’ dan met een arbeidersrevolutie in het kapitalistische centrum.
De meesterlijke analyse van Jenny Clegg helpt ons om daar klaar in te zien. Storming the Heavens is een zorgvuldig en diepgaand wetenschappelijk werk dat de klassenstrijd weer centraal stelt in hoe we de Chinese revolutie interpreteren. Een noodzakelijke demarche, aangezien niet alle historici het eens zijn over haar betekenis – sommigen zien het als een voornamelijk nationalistisch fenomeen dat gericht was tegen westerse imperialistische inmenging en vooral tegen de Japanse invasie.
Clegg toont aan dat Mao vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw de klassenstrijd op het platteland zorgvuldig analyseerde en hoe de Communistische Partij van China (CPC) daar in de loop der tijd anders mee omging. Dit verklaart tot op zeker hoogte waarom de CPC succesvol was waar eerdere door boeren gedomineerde opstanden, zoals de Taiping-opstand in de 19e eeuw, dat niet waren: de CPC identificeerde feodale landeigenaren als het belangrijkste obstakel voor de bevrijding van de boeren en werkte aan de opbouw van een duurzame alliantie van andere sociale krachten tegen hen.
Dit was een langdurig proces van vallen en opstaan. Soms nam de partij ‘linkse’ standpunten in en pleitte ze voor absoluut egalitarisme en de confiscatie van het land van welgestelde boeren. Maar deze ‘arme boeren-lijn’ kon de omvangrijke sociale laag van ‘middenboeren’ vervreemden, die dan in reactionaire allianties met rijke boeren en landeigenaren terecht konden komen.
Clegg gaat uitgebreid in op debatten binnen de partij, zoals die tussen Mao en Liu Shaoqi, en bestudeert ook landhervormingen op specifieke plaatsen, zoals beschreven in Ten Mile Inn van David en Isabel Crook en Fanshen van William Hinton. Zij laat zien dat het beleid van de Communistische Partij zowel pragmatisch (voortdurend lerend van ervaringen) als strategisch was, waarbij in fasen werd gewerkt aan een egalitaire landhervorming, maar niet in een dusdanig tempo dat het de eenheid van de boeren tegen de landeigenaren zou tenietdoen.
Het boek vertelt de geschiedenis van bepaalde ontwikkelingen in China en pretendeert niet lessen te bevatten voor Britse socialisten van vandaag: gezien de totaal verschillende sociale en economische omstandigheden zou dat misschien wat ambitieus zijn (de slogan ‘aan iedereen land, een huis en een paard’ zou de moderne Britse arbeiders, die andere zeer dringende behoeften hebben, allicht niet meteen aanspreken).
Maar toch, telkens weer slagen onze linkse partijen er niet in zegevierende bondgenootschappen te smeden, een front van de meerderheid van bevolkingsgroepen die weliswaar allemaal tot de arbeidersklasse behoren, maar waarbinnen er aanzienlijke verschillen bestaan in inkomen en vermogen, tegen een elite die rijk is geworden door haar controle over het kapitaal. Het beleid van de Chinese communisten was erop gericht de klasseneenheid te versterken ondanks onderlinge verschillen. En dat is zeker het navolgen waard, hoewel de manier waarop je dat hier aanpakt nauwelijks dezelfde kan zijn.
Clegg bestudeert in haar boek onderwerpen die marxisten al decennialang bezighouden: de verschillen tussen het Chinese en Europese feodalisme, de vraag of het westerse imperialisme China op weg heeft gestuurd naar een kapitalistische ontwikkeling. De kwestie van Mao’s ‘massalijn’ en of die de boerenbevolking daadwerkelijk meer macht heeft gegeven. Bij de studie van elke fase weegt ze de bijdragen van eerdere wetenschappers af en laat ze de lezer kennismaken met een veelzijdig, langlopend debat over de aard van de Chinese revolutie en het karakter van de ‘nieuwe democratie’, die is gebaseerd op een alliantie van verschillende sociale klassen. Het verhaal van China krijgt vorm met een eigen invulling, daar waar veel westerse socialisten het hebben willen interpreteren in het licht van hun houding ten opzichte van Rusland. Zij blijven bijvoorbeeld debatteren over de vraag wie gelijk had met zijn oordeel over de strategie van de Chinese communisten in de jaren twintig: Stalin of Trotski. Clegg stelt echter vast dat het inzicht van beiden in de Chinese realiteit niet kon tippen aan dat van Mao, wat niet moeilijk te begrijpen is.
Mao zelf komt in het boek naar voren als een briljant strateeg en marxist, niet omdat Clegg hem bijzonder prijst, maar omdat zijn rigoureuze klassenanalyse en tactische flexibiliteit tot uiting komen in zijn reacties op dilemma’s die zich tijdens een 25 jaar durend revolutionair proces hebben voorgedaan. Het boek is een schitterende bijdrage aan studie van de Chinese geschiedenis die ons inzicht verdiept in een revolutie die nog steeds bezig is de wereld te herscheppen.
De bovenstaande recensie verscheen op 3 december 2025 in The Morning Star, onder de titel Why Mao’s peasant revolution differed from its predecessors.
De vertaling van de recensie is van Dirk Nimmegeers.
Friends of Socialist China organiseert op zaterdag 14 februari om 15.00 uur Britse tijd een boekpresentatie, zowel online als fysiek in de Marx Memorial Library, Londen. U kunt zich hier aanmelden voor het evenement. Opgelet: Online streaming om 16.00 uur.

