Ng Sauw Tjhoi

Jarenlang is ons verteld dat China met zijn Belt and Road Initiative arme landen in een schuldenvalkuil lokt. Een nieuwe studie van de Nanjing University stelt dat narratief stevig in vraag. Wie de cijfers bekijkt, ziet namelijk iets opvallend anders: hoe meer infrastructuur er is gebouwd, hoe kleiner het schuldrisico in deelnemende landen wordt.
Het beeld is inmiddels bijna ingebrand in het westerse publieke debat. China komt met geld, bouwt havens, spoorwegen en elektriciteitscentrales en wacht vervolgens tot een arm land zijn schulden niet meer kan betalen. Daarna zou Beijing de touwtjes in handen nemen en aan neo-kolonialisme doen. De term Chinese schuldenval is zo vaak herhaald dat-ie nauwelijks nog als een veronderstelling wordt gelezen. Het is toch gewoon een vaststaand feit!
Toch maar eerst de cijfers erbij halen
Een nieuwe studie van onderzoekers van de Nanjing Universiteit, gepubliceerd in het peer-reviewed Quarterly Journal of International Politics, analyseerde gegevens van 197 landen en regio’s over de periode 2000–2023. Daaronder bevinden zich 146 landen met een samenwerkingsovereenkomst in het kader van het Belt and Road Initiative en 135 landen waar daadwerkelijk BRI-infrastructuurprojecten zijn gestart of voltooid.
De belangrijkste conclusie is opmerkelijk: de onderzoekers vinden geen bewijs dat deelname aan het Belt and Road Initiative de financiële kwetsbaarheid van landen heeft vergroot. Integendeel, hun analyse wijst op een daling van het schuldrisico. Volgens de studie wordt het economische effect bovendien sterker naarmate de infrastructuurprojecten verder worden uitgevoerd.
Het verschil zit vooral in de vraag waarvoor een land geld leent. Een lening voor een productieve investering werkt anders dan een lening die wordt gebruikt om oude schulden af te lossen. Een nieuwe spoorlijn kan goederen sneller naar een haven brengen. Een elektriciteitscentrale kan bedrijven laten produceren. Een haven kan de handel vergroten. Betere communicatienetwerken kunnen economische activiteit stimuleren. Daardoor ontstaat de capaciteit om een lening terug te betalen.
Dat is precies waarom infrastructuur zo belangrijk is voor ontwikkelende landen. Wie geen betrouwbare elektriciteit, spoorwegen, wegen, havens of digitale verbindingen heeft, kan nauwelijks een moderne economie opbouwen. Geld lenen om die infrastructuur aan te leggen kan riskant zijn, maar het kan dus blijkbaar vooral ook een investering zijn in toekomstige economische groei.
En daar wringt het precies met het simplistische verhaal over de Chinese schuldenvalkuil.
De onderzoekers van de Nanjing Universiteit vinden bovendien verbeteringen op het gebied van corruptiebestrijding, overheidseffectiviteit en de kwaliteit van bestuur in landen die BRI-investeringen hebben gedaan. Zij stellen dat de theorie van de schuldenvalkuil onvoldoende empirische ondersteuning heeft en dat landen die met ernstige schuldenproblemen kampen, vaak al vóór de BRI-investeringen met structurele economische problemen te maken hadden.
Dat betekent uiteraard niet dat iedere Chinese lening verstandig is, iedere BRI-investering succesvol is of dat China geen strategische objectieven heeft. Maar beweren dat het Belt and Road Initiative een mechanisme is om landen bewust in een neo-koloniale schuldenvalkuil te laten lopen, is ver weg van de werkelijkheid.
Ook buiten China kwamen andere onderzoekers tot vergelijkbare conclusies
Het bezwaar “ja, maar dit is een Chinees onderzoek” is voorspelbaar. Het klopt dat de Nanjing Universiteit een Chinese instelling is, maar daaruit volgt niet als vanzelfsprekend dat het onderzoek onbetrouwbaar is. Onderzoekers van buiten China zijn al eerder tot vergelijkbare conclusies gekomen, maar weinig gehoord.
Onderzoekers Lee Jones en Shahar Hameiri van Chatham House onderzochten de zogenaamde debt-trap diplomacy in hun studie Debunking the Myth of ‘Debt-trap Diplomacy’. Hun conclusie is dat het beschikbare bewijs voor de voorstelling dat China systematisch landen met onhoudbare schulden opzadelt om vervolgens strategische activa in handen te krijgen, beperkt is en daarom niet bewezen.
Volgens hun analyse zijn economische factoren een belangrijke drijfveer achter veel BRI-projecten en is het Chinese (ontwikkelings)financieringssysteem bovendien gefragmenteerd en niet altijd even sterk gecoördineerd. De projecten komen vaak tot stand via afzonderlijke contacten tussen Chinese instellingen en regeringen in ontvangende landen. Daardoor is het BRI minder het strak centraal aangestuurde masterplan dat het van buitenaf soms lijkt.
Met beleidsfragmentatie wordt bedoeld dat niet één Chinese instantie alle beslissingen neemt. Verschillende ministeries, staatsbanken, staatsbedrijven, provinciale overheden en andere instellingen hebben hun eigen doelen en bevoegdheden.
Een Chinees staatsbedrijf kan bijvoorbeeld commerciële mogelijkheden zien in een havenproject, terwijl een bank vooral naar het financiële risico kijkt en een ministerie vooral naar de diplomatieke betekenis. Ook de regering van het ontvangende land heeft vervolgens haar eigen belangen en doelstellingen. Daardoor kunnen projecten ontstaan die wel binnen de brede Chinese BRI passen, maar niet noodzakelijk onderdeel zijn van één vooraf uitgewerkte strategie.
Chatham House beschrijft die Chinese financieringsstructuur als sterk gefragmenteerd, en benadrukt dat ook regeringen en politieke elites in de ontvangende landen een belangrijke rol spelen bij de keuze en uitvoering van projecten.
Sri Lanka en de Hambantota-haven
Het bekendste voorbeeld van de vermeende Chinese schuldenvalkuil is de Hambantota-haven in Sri Lanka. Volgens het klassieke verhaal zou China Sri Lanka een grote lening hebben gegeven om de haven te bouwen, waarna het land de schuld niet kon terugbetalen en China de haven vervolgens voor 99 jaar in handen kreeg.
Maar de werkelijkheid is even anders.
De analyse van Chatham House over Sri Lanka en Hambantota concludeert dat China de haven niet simpelweg “in beslag nam” wegens een onbetaalde lening. Het project was in belangrijke mate door Sri Lankaanse actoren gedragen en de latere overeenkomst met een Chinees staatsbedrijf was geen klassieke debt-for-asset swap waarbij een Chinese schuld werd kwijtgescholden in ruil voor de haven. Bij Hambantota werd de schuld niet kwijtgescholden, Sri Lanka kreeg juist nieuw geld voor de concessie van de haven aan China.
Sri Lanka had bovendien bredere economische en financiële problemen. Volgens het Chatham House waren binnenlandse politieke beslissingen, zwak bestuur en de bredere internationale financiële context belangrijke factoren in de schuldencrisis.
Dat maakt Hambantota niet tot een succesverhaal. De haven was economisch problematisch en Sri Lanka kwam uiteindelijk in een zware schuldencrisis terecht. Maar een mislukt infrastructuurproject, een schuldencrisis en een langdurige havenlease zijn nog geen bewijs voor een vooraf geplande Chinese schuldenvalkuil.
Van wie is het Globale Zuiden eigenlijk schuldenaar?
In het westerse debat wordt de schuldenproblematiek van ontwikkelingslanden opvallend vaak meteen gekoppeld aan China, alsof China automatisch de belangrijkste kredietverstrekker en dus de hoofdschuldige is.
Een groot deel van de externe staatsschuld van landen in het Globale Zuiden staat echter uit bij private financiële instellingen, waaronder banken en vermogensbeheerders uit westerse landen. Dat zijn geen instellingen die ontwikkelingshulp verlenen uit solidariteit of altruïsme. Het zijn commerciële ondernemingen die rendement en maximale winst nastreven.
De hamvraag is dus: wat gebeurt er met het geld, wie verdient eraan, wie draagt het risico en welke economische capaciteit wordt ermee opgebouwd?
Een miljard dollar schuld voor een project dat niets oplevert, is natuurlijk wel een probleem. Een miljard dollar investering die een elektriciteitsnet, spoorverbinding, haven of industriële infrastructuur creëert waarmee jarenlang economische activiteit wordt gegenereerd, is een ander verhaal.
Deborah Bräutigam: kritiek op het ‘debt-trap’-verhaal, uitgediept in een nieuwe studie
Een van de belangrijkste onderzoekers op dit terrein is Deborah Bräutigam, verbonden aan Johns Hopkins University. Zij publiceerde in 2020 de veel geciteerde peer-reviewed studie A Critical Look at Chinese ‘Debt-Trap Diplomacy’: The Rise of a Meme.
Bräutigam onderzocht daarin hoe het begrip debt-trap diplomacy ontstond en vervolgens uitgroeide tot een breed verspreid geopolitiek narratief met de bedoeling het imago van China te beschadigen Zij analyseerde verschillende voorbeelden van Chinese internationale financiering, waaronder Angola, Djibouti, Sri Lanka en Venezuela, en stelde dat het populaire narratief eenzijdig en fout is.
Haar visie mag niet worden herleid tot “de BRI is een succes en de kritiek op China is onzin”. Bräutigam ontkent niet dat Chinese kredietverlening risico’s kan opleveren, dat projecten kunnen mislukken of dat landen in ernstige financiële problemen kunnen komen. Haar kritiek richt zich vooral tegen de specifieke bewering dat Beijing bewust onhoudbare schulden creëert met als doel strategische activa over te nemen.
Haar nieuwste studie, samen met Yufan Huang, diept de discussie nog verder uit. In Chinese Collateralization in Comparative Perspective: ‘Belt and Suspenders’ on the Belt and Road, gepubliceerd in juli 2026, onderzoeken zij hoe Chinese banken hun leningen aan regeringen en staatsbedrijven in het Globale Zuiden beveiligen. Hun conclusie: Chinese kredietverstrekkers gebruiken zelden fysieke eigendommen zoals havens als onderpand, maar maken vooral gebruik van liquide middelen op escrowrekeningen als betalingsmechanisme.
Een escrowrekening is eenvoudig gezegd een financiële tussenrekening waarop geld apart wordt gehouden en volgens vooraf afgesproken voorwaarden wordt gebruikt. Het is dus iets fundamenteel anders dan een haven die aan een buitenlandse kredietverstrekker wordt overgedragen.
Bräutigam en Huang stellen bovendien dat deze Chinese kredietpraktijken belangrijke historische parallellen vertonen met kredietpraktijken van Japanse en westerse kredietverstrekkers. Daarmee plaatsen ze de vaak gemaakte voorstelling van China als een volledig unieke en uitzonderlijke schuldeiser opnieuw ter discussie.
De mythe is hardnekkiger dan de cijfers
De term Chinese schuldenvalkuil is ondertussen een eigen leven gaan leiden. Het label past perfect in een geopolitiek verhaal waarin China wordt voorgesteld als een neo-koloniale macht die ontwikkelingslanden afhankelijk probeert te maken.
De werkelijkheid is echter anders. BRI-projecten kunnen mislukken, kosten kunnen oplopen en landen kunnen zich verkijken op hun terugbetalingscapaciteit. Beijing handelt uiteraard vanuit eigen diplomatieke objectieven. Maar tegelijk is het verkeerd om alle problemen van BRI-projecten uitsluitend aan China toe te schrijven. Het onderzoek van Chatham House laat juist zien dat lokale regeringen, politieke elites, Chinese staatsbedrijven, banken en verschillende overheidsinstanties allemaal invloed hebben op de uiteindelijke uitkomst.
Dubbele standaarden in het publieke debat
Als een Afrikaans land diep in de schulden zit, wordt al snel gevraagd hoeveel het aan China moet afbetalen. Veel minder wordt gevraagd hoeveel het verschuldigd is aan westerse banken, obligatiehouders en investeringsfondsen — en tegen welke rente?
Misschien moeten we beginnen met het bekijken van de structuur van de schulden zelf. Want een schuldenvalkuil wordt uiteindelijk niet gegraven door de vlag op de bankrekening van de kredietverstrekker. Ze wordt bepaald door de vraag of geleend geld nieuwe economische waarde creëert of alleen oude schulden in stand houdt.
En dat is precies waarom de nieuwe cijfers en het oudere onderzoek naar het Belt and Road Initiative zo interessant zijn. Ze dwingen ons om verder te kijken dan een geopolitiek label.
De nieuwe studie van Nanjing University levert geen vrijbrief voor China. Het onderzoek van Bräutigam en Chatham House evenmin. Maar gezamenlijk plaatsen deze studies wel een belangrijke vraagteken bij de voorstelling dat Beijing systematisch landen met opzet in een schuldenval lokt om ze vervolgens politiek of strategisch onder druk te zetten.
De Chinese schuldenval is daarmee niet noodzakelijk volledig fictief: landen kunnen zich daadwerkelijk diep in de schulden steken door Chinese projecten. Maar de stap van een schuldenprobleem naar een bewust door Beijing ontworpen schuldenval is niet vanzelfsprekend. En precies dat onderscheid ontbreekt nogal eens in het publieke debat.
Aparte bronnenlijst
Nanjing University – Quarterly Journal of International Politics
De oorspronkelijke studie over de effecten van BRI-infrastructuur en de relatie met ontwikkeling, veiligheid en schuldrisico.
https://gjzzkx.cbpt.cnki.net/portal/journal/portal/client/paper/56f5d104b8ab57a2842f12ca9b8af4de
Chatham House – Debunking the Myth of ‘Debt-trap Diplomacy’
Lee Jones en Shahar Hameiri onderzoeken de empirische onderbouwing van het verhaal over Chinese debt-trap diplomacy.
https://www.chathamhouse.org/2020/08/debunking-myth-debt-trap-diplomacy
Chatham House – Sri Lanka and the BRI
Een uitgebreide analyse van de oorsprong van het Hambantota-project, de Sri Lankaanse schuldencrisis en de havenlease.
https://www.chathamhouse.org/2020/08/debunking-myth-debt-trap-diplomacy/4-sri-lanka-and-bri
Deborah Bräutigam – A Critical Look at Chinese ‘Debt-Trap Diplomacy: The Rise of a Meme’
Bräutigams belangrijke peer-reviewed studie uit 2020 over de oorsprong en empirische onderbouwing van het begrip debt-trap diplomacy.
https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/23792949.2019.1689828
Deborah Bräutigam – Journal Articles
Haar eigen overzicht van wetenschappelijke publicaties over Chinese financiering, ontwikkeling en schulden.
https://www.deborahbrautigam.com/journal-articles.html
Johns Hopkins SAIS – China Africa Research Initiative
Onderzoeksprogramma van Johns Hopkins over Chinese handel, leningen en investeringen in Afrika.
Debt Justice UK
Onderzoek en analyses over de internationale schuldenproblematiek en de rol van private kredietverstrekkers.
