Zuiver socialisme is zuiver idealisme: een reactie op Jacobin over China

Carlos Martinez (opinie*)

Carlos Martinez van Friends of Socialist China legt uit waarom het niet correct is, en zelfs schadelijk, om de ontwikkeling van China in onze tijd gelijk te stellen met de kapitalistische take off, zoals een artikel in het linkse magazine Jacobin doet.

disclaimer foto platformarbeiders (gig workers) tijdens de parade voor de 70 verjaardag van de Volksrepubliek, bewerking foto CGTN via FoSC

Het tijdschrift Jacobin heeft een recensie van Daniel Cheng gepubliceerd over ‘Adrift in the South’, de memoires van de Chinese arbeider-dichter Xiao Hai, die uitvoerig beschrijft met welke barre omstandigheden hij als interne migrant in de megasteden van Zuid-China te maken kreeg. Het boek zelf lijkt interessant en de moeite waard, en er is geen reden om te twijfelen aan de zwaarte van de omstandigheden die Xiao Hai beschrijft. Maar het kader waarin de recensie van Daniel Cheng het verhaal van Xiao plaatst is ahistorisch, idealistisch en, in de huidige geopolitieke conjunctuur, ronduit ongelukkig. Cheng laat het immers uitschijnen alsof het economische wonder van China ‘mogelijk werd gemaakt door de brute uitbuiting van miljoenen arbeiders’. Hij gooit de ontwikkeling van China en de dark satanic mills[1] van de eerste Industriële Revolutie gewoon op één hoop in de categorie van ‘het universele lijden van het kapitalisme’.

Uitbuiting in context

Allereerst moet worden opgemerkt dat de groei in China niet alleen een klasse van kapitalisten heeft verrijkt. Ze heeft het leven van de overgrote meerderheid ingrijpend veranderd. In de afgelopen vijftig jaar heeft China naar schatting 800 miljoen mensen uit extreme armoede gehaald – volgens de berekeningen van de Wereldbank zelf was dat meer dan driekwart van de totale afname van de wereldwijde armoede in dezelfde periode. Chinese arbeiders en boeren leven tegenwoordig langer, eten beter, zijn veel beter opgeleid en genieten een mate van materiële zekerheid die hun grootouders zich nauwelijks hadden kunnen voorstellen.

De lonen in de productiesector zijn tussen 2005 en 2016 ongeveer verdrievoudigd, en de reële lonen zijn in een indrukwekkend tempo blijven stijgen. De mate van uitbuiting van Chinese arbeidskrachten is gedaald, niet gestegen.

Dat is de context waarin ‘brute uitbuiting’ moet worden begrepen. De uitdrukking roept het beeld op van een proces waarbij de meerderheid wordt uitgeput zodat een kleine minderheid kan floreren. Wat er in werkelijkheid gebeurde, benadert eerder het tegenovergestelde: grote aantallen mensen werkten heel hard, onder moeilijke omstandigheden, in een proces dat de hele samenleving heeft opgetild. Daniel Cheng geeft dit zelf gedeeltelijk toe wanneer hij schrijft dat ‘arbeiders in het hele Zuiden te maken hebben met uitbuitende omstandigheden, in landen die niet het wonderbaarlijke groeipeil van China hebben gekend’. Dat klopt. Het is niet met de uitbuiting dat China zich onderscheidt maar juist met de gedeelde en toenemende welvaart.

De meest extreme uitbuiting in de wereldeconomie is inderdaad juist geconcentreerd in de landen die niet de weg van China hebben gevolgd. In Imperialism in the Twenty-First Century beschrijft John Smith hoe de bloei van het mondiale kapitalisme ‘steunt op extreme uitbuiting van arbeiders in de lagelonenlanden waarheen de productie van consumptiegoederen en intermediaire goederen is verplaatst’. Zijn belangrijkste voorbeeld is Bangladesh. Daar vind je de laagste fabriekslonen uitbetaald door alle grote exporteurs. Daar wonen kledingarbeiders en vakbondsactivisten die ‘stelselmatig op zwarte lijsten belanden, in elkaar worden geslagen en willekeurig worden gearresteerd’. In die sector van dat land is geen enkele werkgever ‘ooit veroordeeld voor een overtreding van de gezondheids- en veiligheidswetgeving’.

Dat is de vergelijking die je tevergeefs in het artikel zult zoeken: niet die tussen China en een denkbeeldige socialistische utopie, maar tussen China en de andere landen waar de productie is uitbesteed, maar waar de lonen lager zijn, de onderdrukking harder is en er geen evenredige verbetering van de levensstandaard in het vooruitzicht ligt.

Ondertussen blijven de lonen en arbeidsomstandigheden van werknemers in China voortdurend verbeteren, en die verbetering wordt op elk bestuursniveau gestimuleerd en afgedwongen, juist omdat de Chinese staat geen instrument van het kapitaal is. Met andere woorden, omdat China geen kapitalistisch land is.

Een verhaal van twee verstedelijkingen[2]

‘In de steden’, schrijft Cheng, ‘zochten migrerende arbeiders een uitweg uit de armoede op het platteland, maar werden ze geconfronteerd met de gruwelen van het industriële kapitalisme’.
Sta even stil bij dat waarmee zij niet werden geconfronteerd. In de rest van het Zuiden heeft grootschalige verstedelijking steevast geleid tot een explosieve groei van sloppenwijken: Mumbai, Lagos, Dhaka, São Paulo en Manilla worden omringd door uitgestrekte informele nederzettingen. Sinds de jaren zeventig is de groei van sloppenwijken in de ontwikkelingslanden sneller gegaan dan de verstedelijking zelf. Meer dan 600 miljoen Chinezen zijn de afgelopen vijftig jaar van het platteland naar de stad verhuisd, en toch heeft China dit lot weten te ontlopen. Loop door Beijing of Shanghai, steden met elk meer dan twintig miljoen inwoners, en de alomtegenwoordige sloppenwijken en daklozen op straat die je in vergelijkbare steden elders aantreft, zijn opvallend afwezig.

Dit is geen kwestie van toeval of geluk. Het is het resultaat van bewuste planning, en bovenal van een grondbezit dat nooit is geprivatiseerd. Omdat landbouwgrond collectief eigendom blijft, waarbij gebruiksrechten aan huishoudens worden toegewezen, hebben Chinese migrerende arbeiders hun band met het dorp nooit verloren. Dit is het doorslaggevende verschil tussen een Chinese migrerende arbeider en zijn of haar tegenhanger in Zuid-Azië. De Chinese arbeider zit niet gevangen in schuldslavernij en is niet ‘één gemist loon verwijderd van armoede’, omdat er altijd een thuis en een stuk land is om naar terug te keren. Toen de crisis van 2008 meer dan 20 miljoen migranten hun baan kostte, kwamen ze niet op straat terecht, ze gingen naar huis.

Friedrich Engels begreep waarom dit van belang is. De proletariër, zo merkte hij op in De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, is nog kwetsbaarder dan de horige uit vroegere tijden. ‘De slaaf is verzekerd van het naakte levensonderhoud door het eigenbelang van zijn meester, de horige heeft ten minste een stukje grond om van te leven … maar de proletariër moet uitsluitend op zichzelf vertrouwen’.

China weigerde land op het platteland te privatiseren, en zorgde er zo voor dat zijn migrerende arbeiders, in tegenstelling tot de onteigende proletariërs in het vroeg-industriële Groot-Brittannië, dat ‘stukje grond’ nooit kwijtraakten. Het percentage huiseigenaren in China bedraagt meer dan 90 procent – een cijfer dat in de geavanceerde kapitalistische landen van het Westen nauwelijks voorstelbaar is, laat staan in de door sloppenwijken omringde metropolen van het Zuiden.

Hoewel de relatieve armoede die Cheng beschrijft dus wel degelijk bestaat, is deze aanzienlijk minder zwaar dan die waarmee arbeiders elders in de ontwikkelingslanden te kampen hebben, en dat verschil is structureel van aard en vindt zijn oorsprong in het socialisme.

Nog een omissie

De meest schrijnende passages van Xiao Hai’s boek gaan over werk via platforms – de bezorger die een boete krijgt voor een te laat bezorgd pakket, onverzekerd is en een automobilist contant afkoopt om de politie te ontlopen. Het is dan ook opvallend dat in het rapport met geen woord wordt gerept over het beleid dat zich nu juist op deze groep werknemers richt.

In 2026 hebben de hoogste instanties van China, het Centraal Comité van de Communistische Partij van China en de Staatsraad, nieuwe richtlijnen uitgevaardigd waarin gestandaardiseerde contracten, minimumlonen, maximale werktijden, sociale verzekeringen en algoritmische transparantie worden voorgeschreven voor meer dan tweehonderd miljoen werknemers in de platformeconomie. Maaltijdbezorgplatforms worden verplicht om bezorgers een inkomen boven het minimumloon te garanderen, een verzekering aan te bieden en de strenge bezorgtermijnen te versoepelen.

De recente hervorming van het hukou-systeem breidt de sociale verzekering uit naar migrerende werknemers in de steden waar zij daadwerkelijk werken. Deze ontwikkeling is precies het tegenovergestelde van wat er in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gebeurt, waar bedrijven als Uber en Deliveroo fortuinen hebben uitgegeven aan rechtszaken om hun werknemers de status van werknemer te ontzeggen. Een boek over Chinese gig-werknemers bespreken en daarbij het feit weglaten dat de Chinese staat stappen onderneemt om hen te beschermen, is het belangrijkste deel van het verhaal weglaten, een omissie van formaat.

Het verschil tussen Shenzhen en Manchester

Het emotionele hart van de recensie is de vergelijking met de industriële revolutie: het fosfor in de luciferfabrieken van Manchester en de giftige stoffen in de zeefdrukkerijen van Shenzhen ‘vergiftigden beide hun arbeiders’, en zowel Marx’ Het Kapitaal als de memoires van Xiao Hai beschrijven dezelfde vervreemding van de arbeid. Maar de vergelijking houdt geen stand wanneer je ze toetst aan de historische feiten.

De arbeiders in het Manchester van Engels zagen hun levensomstandigheden in de loop van enkele decennia niet snel verbeteren. Ze stierven jong – volgens het gezondheidsrapport van Edwin Chadwick uit 1842 was de gemiddelde leeftijd waarop arbeiders en monteurs in Manchester stierven slechts 17 jaar, tegenover 38 jaar voor de lokale adel en de vrije beroepen – en ze hadden geen openbare gezondheidszorg, geen gegarandeerde huisvesting en geen algemeen onderwijs. ‘Meer dan 57 procent van de arbeiderskinderen in Manchester’, zo noteerde Engels, ‘ging dood vóór hun vijfde verjaardag’.

Engels weigerde dit te beschouwen als de onvermijdelijke prijs van de vooruitgang, maar noemde het in plaats daarvan ‘sociale moord’ – de toestand waarin de samenleving ‘duizenden mensen de levensbehoeften ontzegt, hen in omstandigheden plaatst waarin zij niet kunnen leven … weet dat deze duizenden slachtoffers ten onder moeten gaan, en toch toestaat dat deze omstandigheden blijven bestaan’.

De Chinese arbeider die een vinger verliest, heeft toegang tot een openbaar gezondheidszorgstelsel. Iedereen in China heeft tegenwoordig gegarandeerd recht op voedsel, huisvesting, kleding, onderwijs, gezondheidszorg, schoon water en moderne energie. Dat is geen kwantitatief verschil: het gaat hier niet over de ‘hoeveelheid leed’. Het is een kwalitatief verschil. Het is wat een staat die erop gericht is koste wat kost particuliere winst na te streven, anders maakt dan een staat die – hoe onvolmaakt ook – gericht is op ‘gemeenschappelijke welvaart’.

En er is nog iets waarover de vergelijking in Jacobin niet rept. Groot-Brittannië was de grootste koloniale macht ter wereld, en de rijkdom die voortkwam uit de industriële revolutie was onlosmakelijk verbonden met de plundering van India, de Atlantische slavenhandel en de rooftocht over de halve wereld. Voor zover de Britse arbeidersklasse uiteindelijk betere arbeidsomstandigheden wist te bewerkstelligen, werd dit in belangrijke mate mogelijk gemaakt door de kruimels van de imperialistische tafel – de superuitbuiting van de koloniën. De opkomst van China heeft nooit te maken gehad met koloniën of een imperium. Het land heeft zichzelf op eigen kracht omhooggewerkt, tegen de stroom van een imperialistisch wereldsysteem in, en niet door te profiteren van de onderwerping van anderen.

Waarom China?

‘Onder het kapitalisme lijken onze culturen steeds meer op elkaar’, zo luidt de conclusie van het artikel. Als dat het hele verhaal was – als China slechts een kapitalistische samenleving was die een fase doormaakt die Groot-Brittannië twee eeuwen geleden al heeft doorgemaakt – dan zouden we een reeks ongemakkelijke feiten moeten verklaren.

Waarom is het juist China, en niet de tientallen andere ontwikkelingslanden die onder veel zwaardere voorwaarden in het mondiale kapitalisme zijn geïntegreerd, dat extreme armoede heeft uitgebannen? Dat dakloosheid vrijwel volledig heeft uitgebannen? Dat tot de enige groene-energiesupermacht ter wereld is uitgegroeid, met meer geïnstalleerde wind- en zonne-energiecapaciteit dan de rest van de wereld bij elkaar en driekwart van alle grootschalige wind- en zonne-energieprojecten die waar ook ter wereld in ontwikkeling zijn? Dat de top van wetenschap en technologie heeft bereikt – en dat dit alles los van de imperialistische wereldorde heeft gedaan?

Dit zijn niet de verworvenheden van een samenleving die niet anders is dan andere kapitalistische samenlevingen. Het zijn de verworvenheden van een land waar de staat niet ondergeschikt is aan het kapitaal, waar de economie wordt gepland en gestuurd, waar de vruchten van de groei worden gedeeld en waar de ontwikkeling van de productiekrachten bewust wordt nagestreefd als een nationaal project. Kortom, het zijn de verworvenheden van het socialisme.

Een zuiver socialisme is zuiver idealisme

Wat deze recensie uiteindelijk laat zien, is een voorbeeld van wat Michael Parenti ‘zuiver socialisme’ noemde: het beoordelen van de daadwerkelijk bestaande socialistische opbouw niet aan de hand van de reële alternatieven die een arm, omsingeld, voormalig gekoloniseerd of semi-gekoloniseerd land ter beschikking staan, maar aan de hand van een ingebeelde utopie zonder tegenstellingen of problemen.

Zoals Parenti het in Blackshirts and Reds verwoordde, is deze visie op een ‘zuiver socialisme’ ‘ahistorisch en niet-falsifieerbaar. Ze kan niet worden getoetst aan de feitelijke gang van zaken in de geschiedenis. Ze zet een ideaal af tegen een onvolmaakte werkelijkheid, en de werkelijkheid komt daarbij als slechte tweede uit de bus’. De aanhangers ervan, zo merkte hij op, ‘steunen alle revoluties, behalve de succesvolle’.

Als je het aan een onhaalbare norm afmeet, schiet elk concreet socialistisch project tekort. Maar dit is idealisme, geen materialisme. Het gaat voorbij aan de imperialistische omsingeling, aan het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten en aan de feitelijke krachtsverhoudingen tussen de klassen – precies de zaken die een marxistische analyse juist hoort te behandelen.

’Er kan geen communisme bestaan met armoede’, zei Deng Xiaoping in 1986 tegen de Amerikaanse journalist Mike Wallace, ‘en ook geen socialisme met armoede … Wij staan toe dat sommige mensen en sommige regio’s als eerste welvarend worden, met als doel sneller algemene welvaart te realiseren’. Het huidige streven naar gemeenschappelijke welvaart en de nieuwe beschermingsmaatregelen voor de laagstbetaalde en meest kwetsbare werknemers zijn een concrete toepassing van dat principe – de tweede helft van Dengs formule begint te werken, aangezien degenen die als eerste rijk zijn geworden de verantwoordelijkheid hebben om de anderen te helpen bij hun inhaalslag.

Dit alles betekent geenszins dat het leed van Xiao Hai zomaar terzijde moet worden geschoven, of dat China vrij is van tegenstellingen en onrechtvaardigheden. Wie dat beweert hangt een andere vorm van idealisme aan. Het gaat er veeleer om te benadrukken dat de problemen van China in hun historische en politieke context moeten worden begrepen.

Op een moment dat China het grootste en meest ontwikkelde socialistische land ter wereld is; dat het de belangrijkste voorstander is van een multipolaire wereldorde; en dat het doelwit is van een systematische propagandaoorlog die bedoeld is om draagvlak te creëren voor een Nieuwe Koude Oorlog (en uiteindelijk een hete oorlog), is het op zijn zachtst gezegd hoogst ongelukkig dat zelfbenoemde socialisten en anti-imperialisten dit soort contextloze veroordelingen uiten.


[1] ‘Dark Satanic Mills’ (duistere en duivelse fabrieken) is de bekende metafoor uit een gedicht van William Blake (1808) dat meestal geassocieerd wordt met een kritiek op de Industriële Revolutie in Groot-Brittannië

[2] De tussentitel is een toespeling op de titel van een roman van Charles Dickens ‘A tale of two cities’ (een verhaal van twee steden).


Dit stuk verscheen onder de titel Pure socialism is pure idealism: a reply to Jacobin on China in Friends of Socialist China

Vertaling: Dirk Nimmegeers

Standpunten in opiniestukken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur.