Het debat rond de ‘China Shock 2.0’ – Opinie

Net nu de westerse beschuldiging dat China vanwege vermeende overcapaciteit de wereld met laag geprijsde goederen overspoelt achter de rug leek, komt het blok met de kreet ‘China Shock 2.0’; een verwachte nieuwe golf van goedkope Chinese goederen die de economie van het westerse blok zou bedreigen. Huang Yiping, van de Universiteit van Peking heeft de opkomst van deze kreet onlangs uitgebreid geanalyseerd. Hierbij een vertaling van dit artikel.

Prof. Huang Yiping; foto Universiteit van Peking (disclaimer)

Huang Yiping

Huang Yiping (1964) is geen onbekende op Chinasquare. Vorig jaar bewerkte ik een artikel van hem over het ontwikkelen van de nieuwe productiviteit. Huang Yiping is Decaan van de National School of Development en Directeur van het Institute of Digital Finance en Boya distinguished professor van Peking University. In het bovengenoemde eerdere artikel kunt u een korte CV van Huang vinden vinden. In de rest van dit artikel slaan ‘ik’, ‘mijn’ e.d. op Huang.

China en Europa – ‘ijs en vuur’

Mijn opmerkingen van vandaag zullen voornamelijk enkele observaties en beoordelingen bevatten die voortkomen uit mijn recente contacten in Europa, hoewel niet alle direct op Europa betrekking hebben. Ik wil vooraf duidelijk maken dat ik termen als ‘China Shock 1.0’ of ‘China Shock 2.0’ niet onderschrijf. Ik zal ze desondanks hier gebruiken ter wille van de discussie.

In het tijdperk van globalisering zijn economische schokken niets nieuws. Voorbeelden hiervan zijn de opkomst van de Duitse en Japanse maakindustrie en de dominantie van de Amerikaanse en Britse financiële sectoren. De cruciale vraag is hoe individuele landen hierop reageren en zich aanpassen.

Om te beginnen is een van de internationaal meest besproken onderwerpen momenteel ‘China Shock 2.0’. Het debat hierover is alomtegenwoordig geworden. Tijdens mijn tijd in Europa werden de structurele uitdagingen die gepaard gaan met ‘China Shock 2.0’ in vrijwel elke bilaterale bijeenkomst, seminar van denktanks en rondetafelgesprek met vertegenwoordigers van overheden en het bedrijfsleven aan de orde gesteld.

China Shock 1.0

De zogenaamde ‘China Shock 1.0’ verwijst naar de impact op internationale markten van de grootschalige export van lichte industriële goederen, textiel, speelgoed en andere traditionele industriële producten na de toetreding van China tot de WTO. Objectief gezien was de structurele impact van die episode op veel ontwikkelde economieën niet zo groot als soms wordt gedacht. Veel arbeidsintensieve industrieën waren al bezig met verplaatsing. Zelfs zonder dat China deze productie had overgenomen, zouden ze naar andere landen met lage kosten zijn verhuisd.

Zoals sommige Amerikaanse economen hebben betoogd, was het verlies van banen in de maakindustrie in ontwikkelde economieën minder toe te schrijven aan China zelf dan aan de gecombineerde effecten van automatisering, gedreven door technologische vooruitgang, en veranderingen in de mondiale arbeidsverdeling. Kortom, het was een dynamische ontwikkeling.

China Shock 2.0

De zogenaamde ‘China Shock 2.0’ verwijst voornamelijk naar de toenemende externe onbalans van China in de afgelopen jaren, met name doordat het land op grote schaal is gaan concurreren in grensverleggende en hoogwaardige productiesectoren zoals elektrische voertuigen, lithium-batterijen, zonne-energie, hoogwaardige machines, industriële robots en halfgeleiders.

Het belangrijkste verschil met de eerdere ‘shock’ is dat dit sectoren zijn waarin ontwikkelde economieën al decennia investeren en menen een stevig gevestigd concurrentievoordeel te hebben. Toch presteerde China, gesteund door uitgebreide toeleveringsketens, grootschalige productiecapaciteit en de continue verfijning van productieprocessen, opmerkelijk goed, zodra het deze sectoren betrad.

Dit betekent niet dat Chinese producenten in elke productcategorie de wereldwijde top bereikt hebben. Echter, afgaande op veldonderzoek en branchegegevens, benadert de kwaliteit van veel Chinese topproducten al de Europese normen – ongeveer 90%, en in sommige gevallen meer dan 95%, van het Europese niveau. Tegelijkertijd kunnen de voordelen van de Chinese binnenlandse toeleveringsketen de totale productiekosten met 30% tot 50% verlagen. Dit creëert een aanzienlijk kostenvoordeel en heeft ertoe geleid dat sommige landen spreken van een ‘Chinese exporttsunami’.

Herstel

In feite is de Chinese economie de afgelopen twee tot drie decennia geleidelijk in evenwicht gekomen en heeft ze al aanzienlijke vooruitgang geboekt. Frankrijk organiseert dit jaar de G7-top en het Franse voorzitterschap gaf onlangs opdracht aan het Centre for Economic Policy Research (CEPR) om een speciaal rapport op te stellen met de titel The New Global Imbalances. Ik werd uitgenodigd om bij te dragen aan het gedeelte over de Chinese economie.

Een systematische beoordeling van de historische gegevens toont aan dat, door middel van maatregelen op middellange tot lange termijn – of het nu gaat om het investeringsaandeel in het BBP, het aandeel van de eindconsumptie van huishoudens of het saldo op de lopende rekening als aandeel in het BBP – de Chinese economie de afgelopen twee decennia in de richting van een groter evenwicht is gegaan.

Het overschot op de lopende rekening van China als aandeel in het BBP is sinds 2018 enigszins gestegen en bereikte 3,7% in 2025, een stijging ten opzichte van voorgaande jaren. Het blijft niettemin onder de waarschuwingsdrempel van 4%. Wat in plaats daarvan aandacht verdient, is de oorzaak van deze recente verandering.

Kritiek

Op dit moment wordt China echter geconfronteerd met aanzienlijke internationale kritiek en economische en handelsdruk vanwege zijn externe onbalans. Ik zie hiervoor twee redenen.

De eerste reden is dat de Chinese economie extreem groot geworden is. Het overschot op de lopende rekening van China als aandeel van het BBP is sterk gedaald, van een historische piek van 10% tot 3,7% vorig jaar. Toch hebben sommige experts erop gewezen dat, naarmate het aandeel van China in de wereldeconomie is gegroeid, de absolute omvang van het overschot is toegenomen ten opzichte van het gecombineerde BBP van de rest van de wereld.

Dit illustreert dat toen China eenmaal een belangrijke economie werd, zelfs voortdurende binnenlandse herbalancering niet kon voorkomen dat de omvang van het overschot een aanzienlijke impact had op de industriële structuren van andere landen.

De tweede reden heeft betrekking op het debat over ‘China Shock 2.0’. Europa heeft deze keer met meer alarm gereageerd, omdat de sectoren die nu onder druk staan van oudsher pijlers zijn geweest die de hoge inkomensstelsels van ontwikkelde economieën ondersteunen. Europeanen maken zich zorgen dat, zodra Chinese producten in grote hoeveelheden de wereldmarkt betreden, ze gevestigde binnenlandse industrieën kunnen verdringen.

Als deze pijlerindustrieën worden vervangen of onder aanhoudende druk worden gezet, zullen deze landen dan snel genoeg nieuwe industrieën kunnen ontwikkelen om de daaruit voortvloeiende economische kloof op te vullen en de bestaande niveaus van bijstandsuitgaven te behouden? Ontwikkelde regio’s met een sterke staat van dienst in het cultiveren van opkomende hightech-industrieën en meer gediversifieerde economieën zijn relatief minder bezorgd. De meeste Europese economieën blijven echter sterk afhankelijk van traditionele high-end productie, waardoor de druk veel acuter wordt.

Simpel gezegd, de manier waarop veel ontwikkelde economieën deze nieuwe competitieronde ervaren, is fundamenteel anders dan hun ervaring tijdens de eerdere verhuizing van low-tech industrieën naar landen met lagere kosten.

Het veranderende technologielandschap

Laat me de AI-sector gebruiken om enkele recente veranderingen in de wereldwijde verspreiding van opkomende technologieën en industrieën te illustreren.

De verschuiving is bijzonder opvallend in AI. China en de Verenigde Staten bezetten de eerste plaats, waarbij beide relatief goed presteren bij de ontwikkeling van algoritmen, de inzet van computerinfrastructuur en de commercialisering van AI-applicaties.

Het Verenigd Koninkrijk wordt over het algemeen beschouwd als behorend tot het tweede niveau en heeft ook goed gepresteerd. Onze algemene indruk van onze uitwisselingen daar was dat het land een duidelijk opwaarts momentum vertoonde. Zijn houding ten opzichte van China was ook iets gematigder dan die van de continentale Europese economieën.

Omdat de traditionele productiebasis van het VK minder substantieel is dan die van Duitsland, Frankrijk en andere West-Europese landen, wordt het minder direct onder druk gezet door de verplaatsing van binnenlandse high-end productie door Chinese concurrenten. Het lijkt ook een relatief grotere ruimte te hebben om uit te breiden naar toekomstige industrieën met een hogere waarde.

Een interessant fenomeen waar we voorheen niet veel aandacht aan hadden besteed, maar dat tijdens onze recente uitwisselingen met vertegenwoordigers van de industrie en denktanks uit verschillende landen naar voren kwam, is de opkomst van Noordoost-Azië in AI-gerelateerde hardware.

Van de geavanceerde materialen en precisiecomponenten van Japan tot de geheugenchips van Zuid-Korea en de geavanceerde halfgeleiderfabricage-, verpakkings- en testindustrieën van Taiwan, biedt Noordoost-Azië als geheel een solide en uitgebreide hardwarebasis voor de wereldwijde AI-toeleveringsketen, voornamelijk ter ondersteuning van westerse technologiebedrijven.

Afgaande op zowel investerings- als financieringstrends op de wereldwijde kapitaalmarkten en veranderingen in de productiecapaciteit in opkomende industrieën, lijkt Noordoost-Azië een tweede grote golf van productie-uitbreiding in te gaan.

Binnen dit steeds meer gelaagde wereldwijde landschap van technologie en innovatie bevindt Europa zich in een ietwat ongemakkelijke positie. Europeanen merkten dat hun universiteiten en onderzoeksinstellingen een groot aantal geavanceerde patenten hebben en de thuisbasis zijn van veel innovatieve start-ups, maar deze sterke punten hebben zich maar weinig vertaald in zichtbare doorbraken in industrialisatie en commercialisering.

Van de digitale economie en de implementatie van de Algemene Verordening Gegevensbescherming tot stablecoin- (een soort cryptocurrency waarvan de waarde is gekoppeld aan een stabiele asset zoals de Amerikaanse dollar of goud) en AI-wetgeving, Europa heeft relatief snel vooruitgang geboekt bij de regelgeving. Toch lijkt de commercialisering van innovatie in grensindustrieën geen gelijke tred te hebben gehouden met die institutionele ontwikkeling.

De redenen zijn zeer complex. Het bredere punt dat ik met dit voorbeeld wil maken, is dat, naarmate opkomende industrieën snel evolueren, landen verschuivingen in het wereldwijde industriële landschap anders ervaren, als gevolg van verschillen in hun middelen, beleid en ontwikkelingsstadia.

Europa ziet meerdere interne uitdagingen

Binnen Europa hebben de 27 lidstaten verschillende prioriteiten en aanzienlijke interne verdeeldheid. Toch is één centrale zorg een brede consensus geworden in de Europese samenleving: als de concurrerende binnenlandse industrieën van Europa worden verdreven door buitenlandse producten, terwijl opkomende industrieën niet snel genoeg voldoende omvang bereiken om de daaruit voortvloeiende economische kloof te vullen, zal het continent voor ernstige uitdagingen staan voor zijn economische ontwikkeling op middellange en lange termijn.

Meer in het algemeen zien Europeanen dit steeds meer als een bron van angst voor concurrentie, maar ook als een systemische uitdaging voor de voortzetting van de levensvatbaarheid van hun model van hoge welvaart.

Dit helpt ook de duidelijke verschillen tussen de betrekkingen tussen China-VS en China-Europa op veel economische, handels- en technologische kwesties te verklaren.

De angst in de VS

De Amerikaanse angst was aanvankelijk gebaseerd op distributiespanningen die voortkwamen uit het verlies van arbeidersbanen in kleine steden in het Midwesten. Later, naarmate China’s nieuwe energie, 5G, high-end apparatuur en andere opkomende industrieën zich ontwikkelden, breidden deze zorgen zich uit tot concurrentie om wereldwijd technologisch leiderschap en invloed op internationale economische en handelsregels.

Over het algemeen blijven de Verenigde Staten echter een sterke dynamiek in industriële innovatie vertonen. De concurrentievoordelen blijven bijzonder zichtbaar in technologische en industriële innovatie, geavanceerde productie en financiële diensten, vooral in grensgebieden als kunstmatige intelligentie, kwantumcomputers, biotechnologie en lucht- en ruimtevaart. De Verenigde Staten zijn bezorgd dat China hen op een dag op bepaalde gebieden kan inhalen, maar de Amerikaanse economie als geheel blijft een sterk endogeen groeimomentum vertonen.

Ik heb onlangs enkele vertegenwoordigers van de Amerikaanse industrie ontmoet die op bezoek waren. Toen het gesprek over Europa ging, zeiden ze dat Europeanen nu bezorgd waren dat de industriële expansie van China uiteindelijk de pijlerindustrieën van het continent uit kunnen hollen, waardoor banen en gezinsinkomens zouden worden verminderd.

Amerikanen maakten zich ooit ook zorgen over de offshoring van de productie. Ik herinner me dat toen Janet Yellen de NSD (National Security Division: een afdeling van het Amerikaanse ministerie van Justitie die terrorismebestrijding en nationale veiligheid behandelt) bezocht, ze ook gerelateerde kwesties aan de orde stelde. Maar een van de bezoekende vertegenwoordigers van de Amerikaanse industrie zei dat Amerikanen zich nu minder zorgen maakten over de impact van Chinese industrieën op de Amerikaanse werkgelegenheid. Op dit moment is de grootste variabele die naar zijn mening de industriële werkgelegenheid beïnvloedt, de verplaatsing van banen veroorzaakt door AI-gestuurde automatisering.

Ik weet niet of deze beoordeling door data bevestigd wordt. De bredere indruk was echter dat de Amerikaanse gevoeligheden met betrekking tot China waren verschoven en dat de situatie nu fundamenteel anders was dan de hachelijke situatie van Europa.

Duitsland

Het probleem van Europa is dat het sociale model met een hoog welzijn, dat al tientallen jaren werkt, sterk afhankelijk is van de economische opbrengst van technologische premies en merken in de high-end productie zoals auto’s, precisiemachines en chemicaliën. Deze pijlerindustrieën staan nu onder aanzienlijke druk van concurrerend geprijsde Chinese producten.

Europa wordt ook geconfronteerd met meerdere interne ontwikkelingsknelpunten. Tijdens ons veldonderzoek in Duitsland hoorden we een bijzonder interessant inzicht: omdat de binnenlandse kapitaalmarkten van het land onderontwikkeld zijn en het durfkapitaalecosysteem relatief zwak blijft, mist Duitsland effectieve financieringskanalen om laboratoriumtechnologieën op schaal te vertalen naar opkomende industrieën; ook al is het land de thuisbasis van een groot aantal hoogwaardige patenten en innovatieve en zeer gespecialiseerde start-ups.

Ik antwoordde dat China en Duitsland inderdaad worden geconfronteerd met een aantal veelvoorkomende uitdagingen op het gebied van industriële commercialisering. Duitsland werd ooit beschouwd als een belangrijk model voor China, omdat het zijn eigen industriële transformatie en opwaardering nastreefde. Nu beide landen echter een nieuwe fase van industriële upgrading ingaan, lijkt onvoldoende directe financiering de commercialisering van wetenschappelijke en technologische innovatie in beide economieën te beperken.

Ik weet niet zeker of dit suggereert dat, zodra economieën een nieuw stadium van ontwikkeling bereiken, het traditionele door banken gedomineerde financiële systeem minder geschikt wordt voor de behoeften van innovatieve industrieën. Als dat zo is, zou het een bredere uitdaging vormen voor de hervorming van het financiële systeem over de hele wereld.

Engeland

In het VK kwam ik gegevens tegen die suggereerden dat een groot deel van de activiteit van de Europese kapitaalmarkt ooit in Londen was geconcentreerd. Na de Brexit bleef echter slechts 4% van de relevante activiteiten daar, waarbij de rest verhuisde naar continentale Europese financiële centra zoals Parijs en Amsterdam.

Maar op korte termijn is noch de marktcapaciteit, noch de ondersteunende juridische infrastructuur van deze steden voldoende om de rol die Londen ooit speelde volledig te vervangen. De kapitaalmarkten van Europa blijven over het algemeen onderontwikkeld en moeten nog de steun bieden die nodig is om opkomende industrieën op te schalen.

Regelgeving

Tegelijkertijd leggen Europeanen grote nadruk op regelgeving en normen bij het omgaan met innovatie. Tot op zekere hoogte kunnen strenge nalevingsvereisten de innovatieve vitaliteit van start-ups dempen. Naar mijn mening moet elk industrieel regelgevingskader uiteindelijk een dynamisch evenwicht vinden tussen innovatie en risicobeheersing, en tussen industriële vitaliteit en naleving van de regelgeving.

Neem de GDPR (General Data Protection Regulation) als voorbeeld. Europa heeft uitstekend werk geleverd bij het beschermen van de privacy. Toch is een objectief feit dat Europa, na jaren van implementatie, geen grote wereldwijde technologiebedrijven of grootschalige clusters in de big-data-industrie heeft geproduceerd.

Hetzelfde probleem is te zien in de AI-regelgeving. Europa ging in een zeer vroeg stadium over op het opzetten van een op risico’s gebaseerd regelgevingskader voor kunstmatige intelligentie. Beleidsonderzoekers in China hebben verschillende initiatieven georganiseerd om deze aanpak te bestuderen en er lessen uit te trekken. Volgens het EU-kader worden de wettelijke vereisten gekalibreerd op basis van het risiconiveau: AI-systemen met een minimaal of beperkt risico zijn onderworpen aan lichte verplichtingen, terwijl systemen met een hoog risico strengere vereisten hebben. Het resultaat is echter duidelijk: Europa heeft zeer weinig eigen vlaggenschip AI-bedrijven opgeleverd.

Tijdens onze gesprekken in Brussel hebben we ook gesproken over stablecoins. Onze Europese tegenhangers merkten met aanzienlijke trots op dat de EU-verordening inzake markten in crypto-activa (MiCA; een uitgebreide EU-wet die is ontworpen om crypto-activa te reguleren, consumenten te beschermen en de marktintegriteit te waarborgen) ruim voor de verschillende wetgevingsvoorstellen in de Verenigde Staten van kracht was.

Ik vroeg toen: als het regelgevingskader zo vroeg werd vastgesteld, waarom zijn Europa’s eigen crypto- en blockchain-gerelateerde industrieën er dan niet in geslaagd een aanzienlijke schaal te bereiken? Natuurlijk kan de Europese wetgevingsaanpak meer nadruk leggen op risicobeheersing en het waarborgen van de financiële stabiliteit. Er is inherent niets mis met die beleidsoriëntatie. Te oordelen naar de werkelijke resultaten van industriële ontwikkeling hebben de opkomende technologie-industrieën in Europa echter slechts beperkte vooruitgang geboekt.

In heel Europa overwegen beleidsmakers steeds meer een verschuiving van de eerdere nadruk op economische stabiliteit naar een sterkere focus op economische veerkracht. Toch zijn Europese landen het niet eens geworden over hoe deze ‘veerkracht’ moet worden gekwantificeerd of bereikt, of welke industrieën deze moet ondersteunen.

Europese diversiteit

Het moet ook worden erkend dat Europa geenszins monolithisch is. De belangenverschillen tussen Noord- en Zuid-Europa, en tussen Frankrijk en Duitsland, lopen vrij uiteen.

De economieën van Frankrijk en Zuid-Europa worden directer getroffen door de invoer van Chinese high-end producten en zijn daarom meer geneigd om protectionistische handelswetgeving in te voeren. Duitsland en veel Scandinavische landen hebben aanzienlijke directe investeringen in China en de belangen van hun multinationals zijn diep verweven met de Chinese markt. Hun standpunten zijn bijgevolg pragmatischer en terughoudender.

De verschillende belangen van de 27 lidstaten van de EU, samen met constante beleidsonderhandelingen, hebben ook de effectiviteit waarmee een verenigd industriebeleid kan worden geïmplementeerd aanzienlijk verminderd.

De EU heeft onlangs een hele reeks nieuwe maatregelen ingevoerd, waaronder herzieningen van de Cybersecurity Act onder CSA2 en de Industrial Accelerator Act. Veel van deze regels zijn geformuleerd in termen van veiligheid of industriële steun, maar in de praktijk werpen ze belemmeringen op voor buitenlandse investeringen en politiseren ze steeds meer economische en handelskwesties.

China’s belang

Ondanks het steeds protectionistischer wordende beleid van de EU en de toenemende handelsbarrières, delen China en Europa nog steeds veel diepgaande gemeenschappelijke belangen.

Ik geloof dat dit de belangrijkste vraag is: als de Europese economie onder toenemende druk van industriële schokken en vertragende groei komt te staan, hoe moet China dan reageren?

Tijdens een bijeenkomst in Europa legde ik het hoofd van een toonaangevende denktank voor dat, tegen de achtergrond van het toenemende unilateralisme en protectionisme en de toenemende concurrentie tussen grote mogendheden, China en Europa de laatste hoop kunnen zijn voor het behoud van een multilateraal, open internationaal economisch systeem.

Of dat systeem op de lange termijn levensvatbaar kan blijven, is van cruciaal belang. Als er een serieuze handelsoorlog of economische confrontatie tussen China en Europa zou uitbreken, zou de schade aan het wereldwijde multilaterale handelssysteem en aan de wereldwijde industriële en toeleveringsketens enorm zijn. De richting van het Amerikaanse economische en handelsbeleid is voor iedereen al duidelijk.

Hoe moeten de huidige bilaterale wrijvingen en spanningen dan worden aangepakt? Naar mijn mening zou China’s benadering van buitenlandse economische en handelsbetrekkingen moeten verschuiven van alleen focussen op de ‘concurrentiekracht’ van zijn eigen industrieën naar het nastreven van win-win resultaten in bilaterale economische betrekkingen.

Nu China een belangrijke economie geworden is – ’s werelds op een na grootste, goed voor meer dan 30% van de mondiale maakindustrie – kan elke uitbreiding van zijn export of verschuiving in de samenstelling van zijn import een materiële impact hebben op het evenwicht tussen vraag en aanbod op internationale markten, evenals op industrieën en werkgelegenheid van zijn handelspartners.

Als praktische problemen die van invloed zijn op het levensonderhoud van mensen niet goed worden beheerd en aangepakt, zal het simpelweg benadrukken van de macro-economische voordelen van vrijhandel niet voldoende zijn om publieke of politieke steun in partnerlanden te winnen.

De buitenlandse handelsstrategie van China moet daarom volledig rekening houden met het vermogen van de industrieën van zijn handelspartners om deze druk op te vangen, evenals met de motivering achter hun beleidsreacties.

Binnenlands beleid

In eigen land moet China zich stevig blijven inzetten voor economische herbalancering. Het zou nu duidelijk moeten zijn dat, tenzij de externe onbalans gestaag wordt gecorrigeerd, een zwakke binnenlandse vraag en overmatige afhankelijkheid van de externe vraag als aanjager van groei risico’s zullen opleveren voor de duurzaamheid op middellange en lange termijn van de Chinese economie.

Het opnieuw in evenwicht brengen van de economie door de binnenlandse vraag uit te breiden is daarom niet alleen nodig om de druk van de internationale discours te verlichten, maar, nog belangrijker, omdat het een inherente vereiste is van China’s eigen hoogwaardige ontwikkeling.

In de toekomst moet China zijn beleid duidelijker en effectiever communiceren in multilaterale conferenties en bilaterale economische en handelsbesprekingen. Dit gaat niet alleen over het bereiken van wederzijds voordeel voor de handelspartners; het gaat ook over het versterken van de fundamenten van China’s eigen extern georiënteerde economie. Economische herbalancering zal nog vele jaren een uiterst belangrijk onderwerp blijven voor het macro-economische beleid.

Het stabiliseren van de binnenlandse vastgoedmarkt is een belangrijke hefboom voor het uitbreiden van de binnenlandse vraag en het bevorderen van macro-economische herbalancering en heeft een economisch breed strategisch belang in de huidige macro-economische omgeving.

Alle secties in de waardeketen van de vastgoedsector hebben banden met tientallen andere industrieën, b.v. bouwmaterialen, interieurdecoratie, huishoudelijke apparaten en vastgoeddiensten. Het is ook een belangrijke bron van grote huishoudelijke consumptie en lokale overheidsinkomsten, inkomens van Chinese gezinnen. Het is ook via bankleningen, niet-standaard financiering en andere kanalen verbonden met het financiële systeem.

Voorstellen 

Met betrekking tot specifieke segmenten van economische samenwerking tussen China en Europa heb ik vijf praktische wegen geïdentificeerd die de twee partijen gezamenlijk kunnen verkennen en bevorderen. Deze zouden China en Europese landen in staat stellen om te putten uit hun respectieve relatieve voordelen, een complementaire arbeidsverdeling te ontwikkelen en win-win samenwerking te bereiken.

  • De eerste is de groene transitie. Dit is het grootste samenwerkingsgebied tussen China en Europa en het gebied dat de grootste zekerheid van praktische vooruitgang biedt. China beschikt over grootschalige productiecapaciteit in de waardeketens van fotovoltaïsche zonne-energie, windenergie, energieopslag en nieuwe energievoertuigen, met bijzonder sterke voordelen in kosten en commercialisering. Europa heeft van zijn kant aanzienlijke sterke punten verzameld op het gebied van groene waterstof, koolstofafvang, boekhoudnormen voor koolstofvoetafdruk, netwerktechnologieën van de volgende generatie en certificeringssystemen voor groene projecten. De twee partijen hebben complementaire industriële ketens. Samenwerking is daarom een onvermijdelijk pad, terwijl Europa de Europese Green Deal implementeert en werkt aan zijn klimaatneutraliteitsdoelstellingen.
  • De tweede is een complementaire arbeidsverdeling in de high-end productie. De twee partijen zouden een gedifferentieerd model kunnen onderzoeken waarin Europa zich richt op upstream-segmenten met een hoge toegevoegde waarde, waaronder kerncomponenten, speciale materialen, industriële software en voertuigontwerp, terwijl China voortbouwt op zijn sterke punten in grootschalige intelligente productie, assemblage en productie van eindproducten, en zijn enorme binnenlandse consumentenmarkt.
  • De derde is de voorzichtige verdieping van de samenwerking in industriële AI en intelligente productie. Europa geniet first-mover-voordelen op het gebied van gegevensnaleving, privacywetgeving en de formulering van wereldwijde regels betreffende AI. China biedt ondertussen een breed scala aan industriële toepassingen, grootschalige computerinfrastructuur en uitgebreide ervaring in het implementeren van intelligente productie. De twee partijen zouden gevoelige gebieden zoals grote taalmodellen voor algemeen gebruik en gezichtsherkenning kunnen vermijden en zich in plaats daarvan kunnen concentreren op praktische projecten zoals upgrades van slimme fabrieken en industriële digitalisering.
  • De vierde is het terrein van high-end service-industrieën. Dit gebied is minder politiek gevoelig en is een belangrijke bron van Europa’s overschot in de dienstenhandel met China. In 2024 bedroeg het overschot van de EU in de dienstenhandel met China meer dan USD 50 miljard, terwijl de betalingen voor het gebruik van intellectuele eigendomsrechten meer dan USD 10 miljard bedroegen. Financiën, verzekeringen, commerciële juridische diensten, gezondheidszorg en hoger onderwijs zijn niet alleen gebieden waarin Europa duidelijke voordelen geniet, maar ook sectoren die voldoen aan de praktische behoeften van China tijdens zijn industriële upgrade. Grotere openheid naar beide zijden zou de taart van gemeenschappelijke belangen gestaag kunnen vergroten.
  • De vijfde is de gezamenlijke ontwikkeling van markten voor derde landen. De twee partijen zouden in eerste instantie sterk gepolitiseerde onderhandelingskaders voor de hele EU kunnen vermijden en in plaats daarvan kunnen samenwerken met individuele landen die een sterkere capaciteit hebben, zoals Duitsland en Frankrijk, om gezamenlijk uit te breiden naar overzeese markten. China en Europese landen zouden kunnen samenwerken aan nieuwe energie- en infrastructuurprojecten in Afrika, Centraal-Azië e.d., waarbij hun respectieve sterke punten gecombineerd kunnen worden om nieuwe bronnen van marktgroei te ontwikkelen.

Conclusie

Tot slot vertonen de betrekkingen tussen China en Europa momenteel een duidelijke combinatie van ‘ijs en vuur’. Stijgende tariefbarrières en een groeiende reeks protectionistische wetten vertegenwoordigen een ‘dikker wordende ijslaag’. Tegelijkertijd vormen de voortdurende investeringen van multinationale bedrijven in China, de noodzaak van de groene transitie en de gedeelde interesse in het behoud van het multilaterale systeem de grondslag voor ‘warme stromingen’. Hoewel er ongetwijfeld structurele problemen bestaan, blijft de objectieve basis van diep met elkaar verweven bilaterale belangen bestaan.

De echte vraag is niet of China en Europa moeten samenwerken, maar op welke gebieden ze moeten samenwerken en volgens welke spelregels. Dat gezegd hebbende, zal het vertalen van samenwerking naar praktische resultaten niet eenvoudig zijn. In ieder geval is dit een kwestie die op de lange termijn aanhoudende en nauwe aandacht verdient.

Nawoord

Huangs analyse is haarscherp en snijdt aan twee kanten. Hij legt niet alleen de argumenten achter de kreet ‘China Shock 2.0’ bloot, maar wijst ook op aspecten van het Chinese beleid die mede schuldig zijn aan het ontstaan van die angst.

Ook zeer interessant is te zien hoe Huang de angst van de Amerikanen en Europeanen voor de opkomst van China in high-tech sectoren onderscheidt. Zonder het met zoveel woorden te zeggen, stelt hij indirect voor dat de EU een eigen beleid jegens China zou moeten formuleren, los van wat hun Amerikaanse tegenhangers vinden en doen. Als hij als Chinese commentator direct zou suggereren dat de EU de banden met de VS zou moeten verminderen, zou dat verkeerd vallen. Zijn positieve voorstellen hebben zo meer kans binnen de EU in vruchtbare aarde te vallen. Voorwaarde is wel dat de politieke leiders van de EU en de afzonderlijke lidstaten zich wel voor voorstellen uit China openstellen. Daarvoor zal nog heel wat water door de zee moeten stromen.

Huang Yiping is lid van diverse denktanks die de Chinese overheid bij beleidsvorming adviseren. Geïnteresseerden adviseer ik zijn eerdere artikel op onze site te herlezen.

Bron: WeChat

Dit artikel is een Nederlandse vertaling van de auteur. Een paar repetitieve stukken zijn weggelaten. Bij een aantal technische termen zijn een uitleg tussen haakjes toegevoegd. Het nawoord geeft de opinie van de auteur weer en wordt niet per se door de gehele redactie gedeeld.