In memoriam Zhu Rongji, bouwmeester van de ‘socialistische markteconomie’

Gewezen premier Zhu Rongji is overleden op 98-jarige leeftijd. Hij was dé sleutelfiguur in de transformatie van China van planeconomie tot socialistische markteconomie in de jaren 90. Het Westen hoopte dat hij de Chinese Gorbatsjov zou worden en het socialisme liquideren. Zhu loodste China ook de Wereldhandelsorganisatie binnen in 2001. Het Westen hoopte dat het zo China economisch zou kunnen inpalmen. Op beide punten bleek de hoop een wensdroom.

Zhu Rongji in 2000 Foto: Wikipedia Disclaimer

Het officiële overlijdensbericht , gezamenlijk uitgegeven door de Partij, het kernkabinet en de twee kamers van het parlement vermeldt dat Zhu lid was van het permanent comité van het politbureau – het hoogste leidinggevend orgaan in China- van 1992 tot 2002. Het omschrijft hem als ‘een uitmuntend partijlid, een loyale communistische strijder die zijn waarde in de loop van de tijd bewezen heeft, een vooraanstaand proletarisch revolutionair, staatsman en partijleider’.

Het bericht looft ook zijn karakter: ‘Zhu had een diepe affectie voor het volk. Hij beklemtoonde dat ambtenaren nooit mogen vergeten dat ze dienaars van het volk zijn en dat ze de moed moeten hebben om de waarheid te zeggen, geen schrik mogen hebben om tegen te spreken en geen persoonlijke privileges mogen zoeken’

Een aanvankelijk hobbelig parcours

Zhu vervoegde de Communistische Partij van China op 21-jarige leeftijd in oktober 1949. Hij was van opleiding elektrisch ingenieur aan de prestigieuze Tsinghua universiteit in Beijing en trad in dienst van de overheid. Zijn carrière verliep met hoogten en laagten. In 1957 werd hij gedegradeerd en uit de Partij gezet in de ‘Anti-Rechtse Campagne ‘ nadat hij kritiek op de partijwerking had geleverd tijdens de ‘Honderd Bloemen Campagne’ . Na zijn rehabilitatie werd hij tijdens de Culturele Revolutie van 1970 tot 1975 naar het platteland gestuurd voor ‘heropvoeding’.

Zijn ster begon opnieuw te rijzen in economische functies in de jaren 80 en in 1988 werd hij burgemeester van Shanghai. In die rol was hij een sleutelfiguur in de planning voor de ontsluiting van de Pudong zone, vandaag het hart van de moderne stad. In 1990 lanceerde hij de toen zeer controversiële beurs van Shanghai, de eerste in China. In 1991 haalde partijleider Jiang Zemin hem naar Beijing als vice-premier belast met de economie. Van 1998 tot zijn pensioen in 2003 bereikte hij de top als premier en formeel nummer drie in de rangorde van partijleiders.

Volgens het officiële communiqué bleef hij nadien de nieuwe leiders trouw steunen.

De bouwmeester van de hervormingen

Zhu was een sleutelfiguur van de economische hervormingen in China. Nadat Deng Xiaoping in 1978 die hervormingen had gelanceerd was er gedurende de jaren 80 voortdurend discussie hoever men mocht gaan binnen het bestaande kader van de planeconomie. Bekend was vooral de theorie van de ideologisch invloedrijke partij-oudere Chen Yun over de vogelkooi: Men kan marktkrachten tot op zekere hoogte vrij laten spelen, maar enkel binnen de kooi van de planeconomie.

Pas op het partijcongres van 1992 slaagde Deng erin het concept van ‘socialistische markteconomie’ te doen aanvaarden: Micro-economische planning (dwingende planning voor bedrijven) werd volledig afgeschaft en vervangen door marktwerking en macro-economische sturing; tegelijk werden privé-bedrijven officieel toegelaten..

Als vice-premier voor economie en daarna als premier werd Zhu de bouwmeester die het concept concreet vorm moest geven. Hij schrok daarbij niet terug voor ingrijpende maatregelen.

Een markteconomie én de middelen voor macro-economische sturing scheppen

Het overlijdensbericht vermeldt de belangrijkste verdiensten van Zhu als vice-premier.

Zo loste hij het probleem van de driehoeksschulden op: staatsbedrijven die niet langer investeringsbudgetten kregen binnen het plan, verleenden elkaar kredieten in een driehoek, en creëerden zo ongecontroleerd geld uit het niets in een soort piramidesysteem

De socialistische markteconomie vereiste een versterking van de macro-economische hefbomen. Dit was acuut in 1993-1995 met een inflatiepiek die opliep tot bijna 25%. Zhu slaagde erin een zachte landing te bewerkstelligen maar moest daarvoor zelf wel tijdelijk de leiding van de centrale bank overnemen.

Privé- en staatsbedrijven die voortaan op eigen benen stonden vereisten de opbouw van een volledig nieuw belastingsysteem, een reorganisatie van de budgetten van de centrale en lokale overheden en bijhorende controlemechanismen.

In 1994 kon Zhu het failliet van de centrale overheid vermijden door een ingrijpende herverdeling van de belastingopbrengsten ten voordele van het centrum en ten nadele van de lokale overheden.

Als premier kwam Zhu voor nog zwaardere taken te staan. Hij kreeg de ‘Aziatische griep’ crisis op zijn bord. Die veroorzaakte enorme devaluaties in een aantal buurlanden. Door niet mee te gaan in de neerwaartse spiraal en de koers van de Chinese yuan stevig te ondersteunen droeg China bij aan het herstel van de stabiliteit in de hele regio.

Het was voor Zhu de aanleiding om voortaan een actiever fiscaal en monetair beleid te voren , om van het financiële systeem met de staatsbanken als ruggengraat een instrument van macro-economische planning te maken in plaats van een passieve kredietverlener.

De pijnlijke modernisering van de staatsbedrijven

De twee belangrijkste hervormingen van Zhu als premier waren de modernisering van de staatsbedrijven en de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie.

De modernisering van de staatsbedrijven schiep structuren die tot de dag van vandaag relevant zijn. Onder de planeconomie verzorgden de staatsbedrijven de werkers van wieg tot graf; ze hadden een eigen sociale zekerheid, kinderopvang, restaurants, gezondheidscentra, woningen, winkels enz. De machines waren dikwijls verouderd en vervuilend en het management niet gericht op rendement.

In de nieuwe marktomgeving werden de staatsbedrijven geconfronteerd met binnenlandse privéconcurrentie en naargelang het land zich meer opende met buitenlandse concurrentie. Zhu gaf hen de opdracht zich te concentreren op hun kernactiviteit en al de rest af te stoten. Kleine en middelgrote bedrijven werden geprivatiseerd of omgevormd tot coöperatieven. Staatsbedrijven zonder perspectief op verbetering werden gesloten. Andere werden samengevoegd en/of gemoderniseerd om de concurrentie aan te kunnen.

Door deze schoktherapie verloren 35 à 40% van de werkers in de staatsbedrijven hun baan. Het aandeel van de staatssector in het bbp daalde tot ongeveer 40% en schommelt vandaag nog steeds rond dat niveau.

In die periode kreeg Zhu in de westerse media het etiket van ‘Chinese Gorbatsjov’. Ze gingen ervan uit dat Zhu de Chinese economie verder zou hervormen tot een neoliberaal systeem. In werkelijkheid was het stimuleren van de markt slechts één van zijn doelstellingen. Hij verkleinde maar versterkte tegelijk de staatssector en maakte die meteen tot een effectief instrument voor macro-economische controle door de overheid..

De pijn verzachten

Zhu nam tegelijk maatregelen om de sociale gevolgen van zijn politiek te verzachten. Er werd begonnen met de uitbouw van een nieuwe sociale zekerheid, inclusief werkloosheidsuitkeringen en leeflonen, los van de vroegere bedrijfssystemen die de hervormingen niet overleefden. Sommige (vrouwelijke) werkers konden reeds op 45 jaar op pensioen. Wie een zaak als zelfstandige begon kreeg een startpremie en centra voor arbeidsbemiddeling ondersteunden de tewerkstelling in de nieuwe pricésector. Arbeiders werden voor een prikje eigenaar van de woningen die het bedrijf hun vroeger ter beschikking stelde.

Harde lijn tegen corruptie

De privatiseringen en de opkomst van de private sector in het algemeen boden in deze periode grote kansen aan corrupte ambtenaren om zich onrechtmatig te verrijken. Zhu ging daar hard tegen in. Zo verbood hij het leger om nog lucratieve civiele bedrijven uit te baten. Achteraf gezien werd duidelijk dat hij de kwaal in de toenmalige omstandigheden niet echt kon stoppen.

Integratie van China in de wereldeconomie

Een tweede grote realisatie van Zhu was de integratie van China in de internationale economie. Alhoewel Deng begin jaren 80 China in principe geopend had voor buitenlandse handel en investeringen bleef het aanvankelijk vooral bij pioniers. Pas na het goedkeuren van de ‘socialistische markteconomie’ in 1992 en het invoeren van gunstige maatregelen belastingmaatregelen voor buitenlandse investeerders begonnen multinationals voorzichtig te investeren in China. Maar de buitenlandse handel bleef erg gehinderd door hoge tolmuren alom.

De toetreding tot de Wereldhandelsorganisaties zou deze barrières wegwerken; de onderhandelingen sleepten liefst veertien jaar aan. In april 1999 trok Zhu zelf naar de toenmalige Amerikaanse president Clinton met een verregaand compromisvoorstel. Clinton weigerde en het prestige van Zhu kreeg een deuk. Hij bleef echter volhouden en eind 2001 werd de toetreding met president Bush jr. beklonken.

In het Westen ging men ervan uit dat de Chinese markt en het met schulden beladen bankensysteem zonder veel moeite zou overgenomen worden door Westerse multinationals. Het effect van de maatregelen die Zhu genomen had om de concurrentiekracht van de Chinese bedrijven en het financieel systeem te versterken werd daarbij schromelijk onderschat. China werd de volgende jaren de fabriek van de wereld en tijdens de financiële crisis van 2008-9 werden de Chinese banken de sterkste ter wereld.

Blijvende invloed

Zhu Rongji heeft de Chinese economie door een complexe en pijnlijke transitieperiode geleid. Bij zijn vertrek in 2003 waren de basisstructuren zoals ze nu nog werken opgestart. China stond klaar voor een fenomenale groeisprint gedurende de volgende tien jaar. Zhu creëerde bovendien de ruimte voor de volgende generatie leiders om onder het motto ‘wetenschappelijke en harmonische ontwikkeling’ meer aandacht te gaan besteden aan het technologisch niveau en de sociale en ecologische aspecten van de economische groei.

Bron voor het communiqué: Xinhua