In dit artikel analyseren Chinasquare-redacteur Peter Peverelli en Gordon Dumoulin hoe cultuur competitie en de systemen eromheen vormgeeft. Hun betoog begint bij het begrip ‘survival of the fittest’ uit Charles Darwins evolutietheorie, dat ook vaak in de sociale wetenschappen wordt gebruikt om competitie tussen burgers te beschrijven. De auteurs laten zien dat dit een Westers begrip is en dat China een geheel andere kijk op competitie heeft.

Een door AI (Perchance) gegenereerde voorstelling van concurrentie
Survival of the fittest
‘Survival of the fittest‘ is een veelgebruikte uitdrukking in het westerse denken, gewoonlijk geassocieerd met de theorie van natuurlijke selectie ontwikkeld door Charles Darwin. De uitdrukking zelf werd echter gelanceerd door de Britse filosoof Herbert Spencer in 1864, voordat zij door Darwin werd overgenomen in latere edities van On the Origin of Species als een manier om het proces te beschrijven waarmee organismen die beter aan hun omgeving aangepast zijn meer kans hebben om te overleven en zich voort te planten.
In de loop van de tijd heeft de uitdrukking een eigen leven gekregen. Het is op grote schaal buiten de biologische wetenschappen toegepast, met name in de economie, het bedrijfsleven en de sociale theorie. In de late negentiende en vroege twintigste eeuw gaf deze bredere toepassing aanleiding tot wat bekend werd als sociaal darwinisme – een intellectuele stroming die concurrentie tussen individuen, bedrijven of samenlevingen interpreteerde als een natuurlijk en zelfs wenselijk selectiemechanisme. Binnen deze contexten wordt ‘fitness‘ vaak begrepen in termen van prestaties onder druk: degenen die topresultaten behalen, concurrenten overtreffen of voordelige posities veiligstellen, worden gezien als degenen die het meest waarschijnlijk zullen volhouden.
Winnaars en verliezers
In dit bredere gebruik roept de uitdrukking beelden op van wedstrijd, rivaliteit, selectie en eliminatie. Markten worden als competitieve slagvelden beschreven, waarop organisaties streven naar voordeel en individuen die zich willen onderscheiden van hun gelijken. In geopolitieke contexten worden de ‘fitste’ vaak geassocieerd met militaire kracht, economische schaal of snelheid van innovatie. De taal van de competitie – winnen, verliezen, beter presteren – is nauw verbonden geraakt met interpretaties van wat het betekent om ‘fit’ te zijn.
Aan de andere kant hebben ontwikkelingen in biologie en systeemdenken aangetoond dat overleven in de natuur niet alleen een kwestie is van geïsoleerde of eng gedefinieerde kracht. Organismen leven binnen omgevingen die bestaan uit meerdere onderlinge afhankelijkheden, waar aanpassing vaak uitlijning met omringende omstandigheden en relaties met andere soorten omvat. Deze perspectieven suggereren dat ‘fitheid’ ook kan worden begrepen in termen van context, interactie en balans.
Cultuur
Tegen deze achtergrond onderzoekt dit essay hoe het begrip ‘fitness‘ in verschillende culturele en systemische sferen geïnterpreteerd wordt. Op basis van het 7-Dimensie (7-D) model van nationale cultuur van Fons Trompenaars, onderzoekt het hoe concurrentie, samenwerking en succes worden gevormd door onderliggende waardesystemen en historisch bewustzijn.
In een wereld die een diepgaande transformatie ondergaat – wat betreft markten, toeleveringsketens, innovatie en geopolitiek – komt de vraag op of overleven het beste kan worden opgevat als een kwestie van de ‘fitste’ zijn, of in toenemende mate als het bereiken van de ‘beste pasvorm’.
Van arena’s naar bossen
‘Botsauto’s op een kermis’ is een metafoor die gebruikt wordt door Fons Trompenaars, Charles Hampden-Turner en Peter Peverelli in hun studie Has China Devised a Superior Way of Wealth Creation? – the Role of Secular Values (2021, hoofdstuk 12) om te beschrijven hoe concurrentie vaak wordt begrepen in een groot deel van het westerse denken. Binnen deze framing wordt concurrentie impliciet behandeld als een nulsomspel: er komt één winnaar tevoorschijn, terwijl anderen verliezen of achterblijven. Het doel is simpel: navigeren, botsen en anderen omzeilen binnen duidelijk gedefinieerde grenzen. Succes is zichtbaar en ogenblikkelijk. Degenen die beter anticiperen, sneller reageren en zichzelf effectiever positioneren, domineren het speelveld, terwijl anderen aan de kant worden geschoven. De regels worden gedeeld, de arena is gelijk en de prestaties worden gemeten in directe interactie met concurrenten.
In veel westerse contexten wordt deze logica van het slagveld vaak uitgebreid met het sociaal-darwinisme, dat menselijke, economische en sociale concurrentie interpreteert als een proces van natuurlijke selectie. Degenen die het beste onder druk presteren – concurrenten overtreffen of voordelige posities veiligstellen – worden gezien als het meest waarschijnlijk om te slagen. Hoewel dit belangrijke dynamieken van rivaliteit en prestaties vastlegt, heeft het de neiging om overleving te reduceren tot individuele of organisatorische dominantie.
Maar buiten dergelijke arena’s functioneren zowel natuurlijke als menselijke systemen meer als bossen dan als kermisterreinen. Deze twee manieren van interactie – concurrentie binnen begrensde arena’s en coëxistentie binnen bredere ecosystemen – sluiten elkaar niet uit; ze bestaan naast elkaar binnen dezelfde realiteit.
In de natuur gaat overleven zelden alleen over roofdieren en prooien. Een bos wordt niet bepaald door een enkele dominante soort, maar door de interactie van velen. Bomen, struiken, schimmels, insecten en dieren vormen een levend netwerk waarin elk afhankelijk is van de anderen. Een nijlpaard vertrouwt bijvoorbeeld op vogels die parasieten van zijn huid verwijderen; zonder hen zou zijn gezondheid verslechteren. Mensen zijn op hun beurt afhankelijk van de miljoenen micro-organismen in hun darmen om voedingsstoffen te verwerken en de immuniteit te ondersteunen. Deze voorbeelden illustreren dat overleven is ingebed in relaties in plaats van geïsoleerde kracht.
Veerkracht
Een soortgelijk patroon kan in menselijke economische systemen waargenomen worden. Moderne toeleveringsketens functioneren als ecosystemen: onderling verbonden, adaptief en gevoelig voor verstoring. Tarwe wordt geteeld door boeren, verwerkt door meelproducenten en omgezet in brood door bakkers. Dit stelt consumenten op hun beurt in staat hun schaarse tijd en energie ergens anders voor te gebruiken. Elke actor is afhankelijk van de anderen en waarde wordt gecreëerd door het systeem als geheel. Verstoringen in elk deel van deze keten kunnen alsmaar bredere rimpelingen veroorzaken die de algehele stabiliteit beïnvloeden. Veerkracht ligt dus niet in een enkele dominante actor, maar in het aanpassingsvermogen van het systeem.
Innovatie volgt een vergelijkbare logica. Meerdere onderzoeksteams kunnen tegelijkertijd aan hetzelfde medische probleem werken, gebruikmakend van gedeelde kennis en overlappende ontdekkingen. Zelfs wanneer een team als eerste een doorbraak behaalt, is het succes ervan zelden geïsoleerd. Het is ingebed in een breder veld van bijdragen die het mogelijk maken en versterken.
Deze voorbeelden wijzen op een breder begrip van ‘fitness‘. Overleven wordt niet alleen bepaald door beter te presteren dan anderen in directe concurrentie, maar ook door het vermogen om zich aan te passen aan context, relaties te onderhouden en levensvatbaar te blijven binnen een evoluerende omgeving. Fitness wordt relationeel in plaats van absoluut: het wordt gedefinieerd door hoe goed een actor in een breder systeem past in plaats van hoe effectief hij een arena domineert.
Zodra deze systemische dimensie wordt erkend, verschuift de aandacht op natuurlijke wijze van individuele actoren naar de manier waarop coördinatie zelf is georganiseerd.

Van broodketens tot coördinatiesystemen
De logica van coördinatie is al zichtbaar in eenvoudige productiesystemen. Broodproductie weerspiegelt bijvoorbeeld een basisketen waarin boeren tarwe verbouwen, molens het verwerken tot meel en bakkers het omzetten in brood. Elke stap verhoogt de efficiëntie, maar verdiept ook de wederzijdse afhankelijkheid.
Naarmate samenlevingen zich ontwikkelen, worden deze ketens complexer – meer gespecialiseerd, meer geografisch verspreid en steeds meer afhankelijk van coördinatie tussen meerdere actoren en lagen. Wat begint als een lineaire reeks evolueert geleidelijk naar een systeem waarin de resultaten afhangen van uitlijning in plaats van geïsoleerde prestaties.
Verschillen
Op dit punt beginnen er verschillen te ontstaan. Hoewel onderlinge afhankelijkheid zelf universeel is, is de manier waarop het is georganiseerd dat niet. Samenlevingen verschillen in de manier waarop ze coördinatie structureren, autoriteit definiëren en het verband tussen regels en relaties interpreteren.
Het is hier dat cultuur structureel relevant wordt. Coördinatiesystemen zijn nooit neutrale technische regelingen; ze worden gevormd door onderliggende aannames over hoe de samenleving functioneert. Cultuur biedt de impliciete logica waardoor systemen georganiseerd, geïnterpreteerd en gestabiliseerd worden.
Om deze verschillen te analyseren, maakt dit essay gebruik van het model van de nationale cultuur van Fons Trompenaars – wereldwijd erkend in internationale bedrijfsstudies – om een genuanceerder begrip te ontwikkelen van hoe verschillende culturen zin geven aan begrippen als winnaars, succes en ‘fitness‘ binnen systemische en organisatorische contexten, in bedrijfsleven, samenleving, bestuur en geopolitiek.
Dimensies
Trompenaars’ model van de nationale cultuur identificeert zeven dimensies waarlangs culturele perspectieven verschillen: universalisme versus particularisme; individualisme versus communautarianisme; neutraal versus affectief; specifiek versus diffuus; prestatie versus toeschrijving; sequentieel versus synchroon; en interne versus externe controle.
Deze dimensies zijn geen rigide tegenstellingen, maar inclinaties. Culturen opereren langs continua, met overheersende inclinaties in plaats van vaste posities. Individuen binnen een bepaalde cultuur kunnen ook tussen deze oriëntaties schakelen, afhankelijk van de context.
In plaats van de economische of organisatorische logica te vervangen, bepalen de culturele dimensies hoe dergelijke systemen functioneren: hoe concurrentie is gestructureerd, hoe de samenwerking wordt volgehouden en hoe succes uiteindelijk wordt gedefinieerd.
Binnen systemen van onderlinge afhankelijkheid verdwijnt concurrentie niet – het is anders geconfigureerd. De betekenis ervan hangt af van hoe het is ingebed in culturele en institutionele logica. In verschillende contexten kunnen drie patronen worden onderscheiden: concurrentie als selectie, concurrentie als efficiëntie en concurrentie als systeemvorming.
Competitie als winnen en verliezen
In culturen die sterk universalistisch, individualistisch, specifiek en prestatiegericht zijn functioneert concurrentie in de eerste plaats als een selectiemechanisme. Dit patroon wordt vaak geassocieerd met veel westerse organisatorische en economische contexten, waar actoren onder gedeelde en expliciete regels opereren en de resultaten bepaald worden door middel van gestandaardiseerde vergelijking. Prestaties worden gemeten aan de hand van gemeenschappelijke criteria en succes wordt relatief gedefinieerd binnen een duidelijk gestructureerd veld.
In dergelijke configuraties produceert concurrentie duidelijke verschillen tussen winnaars en verliezers. Autoriteiten functioneren doorgaans als scheidsrechters: zij handhaven regels, valideren resultaten en formaliseren resultaten. Zodra een resultaat is vastgesteld, wordt het over het algemeen als definitief beschouwd.
Competitie als afstemmen
In meer particularistische, communautaire en diffuse culturele contexten – zoals die van veel niet-westerse naties – is concurrentie meer ingebed in doorgaande relaties en processen. Actoren zijn zich continu van elkaar bewust en interactie is minder gefragmenteerd en meer iteratief. In dergelijke systemen hebben autoriteiten de neiging om minder als scheidsrechter en meer als coach te functioneren, waardoor coördinatie en ontwikkeling op langere termijn binnen het systeem vergemakkelijkt worden.
Binnen deze logica worden individuele doorbraken erkend, maar ze worden niet behandeld als eindpunten. Het feit dat de ene actor als eerste een doorbraak bereikt, ontkent de rol van anderen niet. In plaats daarvan kan het het algehele traject van ontwikkeling versterken door middel van vervolgbijdragen, imitatie en systeembrede diffusie.
Het resultaat is niet de afwezigheid van concurrentie, maar een verschuiving in haar functie: van exclusieve selectie naar cumulatieve progressie.
Dit verschil in hoe competitie en winnen worden waargenomen – gevormd door verschillende culturele dimensies – wordt duidelijk wanneer het schematisch wordt weergegeven in de volgende grafiek.

Grafiek: In systemen die worden gekenmerkt door specifieke, universele waarden en uniforme regels (het kwadrant linksboven), heeft de concurrentie de neiging om win-verliesresultaten te produceren, waarbij autoriteiten optreden als scheidsrechters die een enkele winnaar uitroepen – vaak met een versterking van de dynamiek van ‘de winnaar neemt alles’. In meer diffuse en particularistische omgevingen (het kwadrant rechtsonder), waar waarden en talenten minder direct vergelijkbaar zijn, kan concurrentie daarentegen evolueren naar win-winconfiguraties, waarbij autoriteiten optreden als coaches die de afstemming faciliteren en complementaire sterke punten combineren voor gedeelde resultaten.
Concurrentie: efficiëntie en effectiviteit
Deze verschillen worden vooral zichtbaar in systemen van toewijzing van middelen. In configuraties die afgestemd zijn op particularisme, universalisme, specificiteit en prestatiegerichtheid, is toewijzing doorgaans gebaseerd op vooraf gedefinieerde en vergelijkbare criteria. Inkoop-, aanbestedings- en evaluatieprocessen zijn afhankelijk van gestandaardiseerde indicatoren zoals kosten, snelheid en technische naleving. Dit genereert sterke prikkels voor efficiëntie, transparantie en vergelijkbaarheid.
Tegelijkertijd heeft het de neiging om duidelijke winnaars-verliezers te produceren. Selectie is definitief, feedback is vaak beperkt en relaties tussen actoren zijn vaak op korte termijn en transactioneel. Na verloop van tijd kunnen dergelijke systemen de optimalisatie op korte termijn versterken, terwijl kwalitatieve dimensies zoals vertrouwen, aanpassingsvermogen en betrouwbaarheid op lange termijn ondergewaardeeerd worden.
Deze logica is niet beperkt tot industrie en handel. In veel westerse samenlevingen zijn soortgelijke mechanismen uitgebreid naar de publieke sector door middel van processen van privatisering en marketing. Openbare diensten zoals gezondheidszorg, ziektekostenverzekeringen, openbaar vervoer, energievoorziening, postdiensten, afvalbeheer, onderwijsondersteuning en elementen van sociale huisvesting worden steeds vaker georganiseerd door middel van concurrerende aanbestedingen en contractuele toewijzing. Hoewel dit de transparantie, kostenefficiëntie en verantwoording kan verbeteren, weerspiegelt het ook dezelfde onderliggende logica van selectie op basis van gestandaardiseerde en kwantificeerbare outputs.
Toch werken openbare diensten en bestuur binnen bredere maatschappelijke systemen waar efficiëntie slechts een van de vele noodzakelijke criteria is. Betrouwbaarheid, continuïteit, toegankelijkheid, vertrouwen en veerkracht op lange termijn zijn even belangrijk, maar moeilijker vast te leggen in gestandaardiseerde evaluatiekaders. Wanneer deze kwalitatieve dimensies structureel ondergewogen zijn, kunnen er spanningen ontstaan tussen optimalisatie op korte termijn en systemische coherentie op lange termijn en publieke waarde. Dit kan leiden tot fragmentatie en verminderde effectiviteit in de duurzaamheid van openbaar bestuur in de loop van de tijd.
In meer particularistische en diffuse-georiënteerde systemen is toewijzing meer relationeel ingebed. Vertrouwen, reputatie en het potentieel voor voortdurende samenwerking spelen een meer expliciete rol naast formele criteria. Selectie is daarom niet alleen gebaseerd op geïsoleerde prestaties, maar op de verwachte evolutie van de relatie in de loop van de tijd.
In dergelijke contexten functioneren autoriteiten vaak als facilitator van coördinatie in plaats van strikte handhaver van regels. Wat in enge transactionele termen minder efficiënt lijkt, kan een hogere systemische effectiviteit genereren, aangezien sociale relaties kennis, stabiliteit en aanpassingsvermogen verzamelen.
Verschillende logica’s
Het onderscheid is daarom niet tussen efficiëntie en inefficiëntie, maar tussen twee verschillende logica’s van het organiseren van prestaties: efficiënte selectie binnen vaste parameters versus effectieve afstemming binnen evoluerende systemen.
De onderstaande grafiek brengt dit onderscheid in kaart over de culturele dimensies van universalisme – particulisme en specifiek – diffuus.

Grafiek: In universele en specifieke systemen (het kwadrant linksboven) legt het bieden de nadruk op vergelijkbaarheid en kostenconcurrentie. In meer specifieke en diffuse omgevingen (het kwadrant rechtsonder) is leveranciersselectie ingebed in langetermijnrelaties, waar vertrouwen en samenwerking prijs en kwaliteit aanvullen. Hierdoor kan de kostenefficiëntie gehandhaafd en kan een bredere systeemeffectiviteit bereikt worden.
Competitie: Eenhoorns en Drakenkoppen
Verschillende concurrentielogica’s vormen ook het soort organisatorische resultaten voort.
In veel westerse contexten heeft de concurrentie de neiging om de opkomst van ‘eenhoorns’ te bevorderen – snelgroeiende bedrijven die vlot schaalvergroting en dominante marktposities bereiken. Succes wordt gemeten aan de hand van gestandaardiseerde indicatoren zoals waardering, groeipercentage en marktaandeel. Dit weerspiegelt een logica die op individualisme, prestatiegerichtheid en universele vergelijking is gebaseerd, waarbij bedrijven worden geëvalueerd als discrete eenheden binnen een gedeeld concurrentieveld. Binnen dit kader functioneert competitie in de eerste plaats als een selectiemechanisme dat de resultaten aan de meest succesvolle actoren toekent.
Een andere configuratie kan worden waargenomen in China, waar concurrentiedynamiek vaak is ingebed in regionale industriële clusters. Veel provincies en prefecturen zijn gespecialiseerd in bepaalde producten, vaak voortbouwend op langdurige lokale productietradities. Na de economische hervormingen van de jaren negentig hebben lokale overheden de opschaling van deze activiteiten actief ondersteund (in hun rol als coach), waarbij zowel bestaande producenten als nieuwkomers aangemoedigd worden. Dit droeg bij aan de vorming van hechte industriële clusters (企业群, qiyequn), waarin tal van bedrijven actief zijn binnen dezelfde sector en geografische ruimte.
Wat belangrijk is in deze configuratie is niet alleen de concentratie tussen bedrijven, maar ook de manier waarop de concurrentie is ingebed in een breder coördinatiesysteem. Binnen dergelijke clusters wordt concurrentiedynamiek niet primair georganiseerd door middel van geïsoleerde prestatiestatistieken of eenmalige selectiemomenten. In plaats daarvan worden ze voortdurend gevormd in doorgaande interactie, reputatie-effecten en diepe inbedding in productie- en leveringsnetwerken. In de praktijk betekent dit dat bedrijven niet alleen met elkaar concurreren, maar tegelijkertijd ook afhankelijk van elkaar zijn voor informatie, input, arbeid en incrementele innovatie. Concurrentie en samenwerking bestaan daarom naast elkaar binnen dezelfde systemische omgeving, in plaats van in verschillende sferen te worden gescheiden.
Drakenkopondernemingen
Vanuit een bestuursperspectief creëert dit een structurele uitdaging: wanneer grote aantallen bedrijven binnen hetzelfde cluster opereren, kan puur horizontale concurrentie leiden tot fragmentatie en instabiliteit. Als gevolg hiervan ontstaan selectieve ondersteuningsmechanismen, maar zonder de concurrentiedynamiek volledig te elimineren of deze te reduceren tot binaire winnaars-verliezersresultaten. Het is binnen deze context dat het concept van de ‘drakenkoponderneming’ (龙头企业, longtou qiye) zich ontwikkeld heeft.
Deze toonaangevende bedrijven ontvangen gerichte ondersteuning van lokale autoriteiten, maar hun rol gaat verder dan hun prestaties van individuele ondernemingen. Ze functioneren als verankeringsknooppunten binnen de cluster: het stabiliseren van toeleveringsketens, het faciliteren van kennisverspreiding, het verbeteren van de markttoegang voor kleinere bedrijven en het bijdragen aan de geleidelijke opwaardering van het productiesysteem in zijn geheel. Hun positie is daarom niet alleen competitief, maar ook structureel integrerend. Dit creëert een meer gelaagde configuratie van bestuur en economische activiteit, waarin coördinatie en concurrentie geen duidelijk gescheiden logica, maar wederzijds versterkende mechanismen, zijn. Toonaangevende bedrijven opereren tegelijkertijd als concurrenten binnen de markt en als stabilisatoren op systeemniveau binnen het bredere industriële ecosysteem, waardoor zowel de veerkracht als de adaptieve capaciteit op lange termijn worden versterkt.
Belangrijk is dat dit concurrentiedruk of falen niet elimineert. In plaats daarvan herverdeelt het hun systemische rol: de resultaten zijn minder geconcentreerd aan de top en veerkracht is breder verdeeld over meerdere actoren binnen het systeem.
Epiloog: Tussen winnen en passen
Een groot deel van het hedendaagse discours – met name in westerse contexten – blijft de wereldwijde dynamiek framen met de taal van de concurrentie als ordenend principe. China wordt een ‘concurrent’, de Chinese groei wordt ‘overcapaciteit’ en internationale betrekkingen worden steeds meer geïnterpreteerd door relatieve positionering: wie leidt, wie volgt, wie blijft achter. Zelfs samenwerking vertaalt zich vaak in strategisch voordeel.
Het is een bekende grammatica, een waarin de wereld is georganiseerd rond vergelijking en hiërarchie. Binnen deze logica behoudt ‘overleving van de sterkste’ een sterke intuïtieve aantrekkingskracht. Het suggereert een natuurlijk selectieproces waarin alleen de sterksten blijven bestaan en waarin concurrentie uiteindelijk duidelijke winnaars oplevert.
Toch blijft dit slechts een gedeeltelijke beschrijving van hoe complexe systemen functioneren.
Samenlevingen opereren niet altijd via een enkele logica van concurrentie. Ze zijn vaak gestructureerd door middel van meerdere, overlappende logica’s: systemen gebaseerd op universele regels en gestandaardiseerde vergelijking bestaan naast bepaalde systemen die gebaseerd zijn op specifieke relaties, context en continuïteit. Op prestaties gebaseerde selectie kruist vertrouwen, status en inbedding op lange termijn. De spanning tussen deze logica’s is geen anomalie – het is het principe waardoor systemen werken.
Wanneer één logica te dominant wordt – wanneer efficiëntie de veerkracht overschrijft, wanneer schaal het aanpassingsvermogen vervangt, wanneer selectie de uitlijning overschaduwt – begint iets subtiel te verslechteren. Geen onmiddellijke ineenstorting, maar een groeiende onbalans. Een vernauwing van mogelijkheden. Een systeem dat schijnbaar efficiënt wordt in beweging, maar broos van structuur en steeds minder in staat is om het bestaan van andere logica van binnenuit te herkennen.
Dit kan zich ook manifesteren als een groeiende interpretatieve blindheid voor anderen. Gedrag in het bedrijfsleven, de samenleving of de geopolitiek dat aarzelend, indirect of overdreven voorzichtig kan lijken, is niet noodzakelijk een gebrek aan strategie, maar weerspiegelt een ander begrip van waar strategie voor dient. In dergelijke contexten kan het behoud van een functionerende omgeving opwegen tegen het streven naar maximaal voordeel daarin.
Dit soort ‘cultureel extremisme’, in deze zin, is zelden prominent. Het is structureel. Het ontstaat wanneer één uiteinde van een culturele dimensie van organisatie en perceptie alle andere in de loop van de tijd gaat domineren.
Dit brengt ons terug naar het sociale darwinisme. De centrale intuïtie – dat concurrentie een selectieproces is – blijft krachtig, maar onvolledig. Het legt de dynamiek van arena’s vast, maar niet de architectuur van ecosystemen.
Omdat overleven niet alleen gaat over de sterkste zijn in een bepaald moment van competitie. Het gaat er ook om levensvatbaar te blijven binnen een veranderende omgeving van onderlinge afhankelijkheden.
Dit is waar het idee van ‘beste pasvorm’ relevant wordt. Het verwerpt concurrentie niet, maar herkadert het doel ervan: niet alleen de productie van winnaars, maar het behoud van systemische samenhang; niet alleen selectie, maar ook afstemming.
En misschien is dit de diepere verschuiving: van een wereld die voornamelijk wordt begrepen door wie wint en wie verliest, naar een wereld die voortdurend moet onderhandelen over hoe elke betrokken partij erin kan passen.
Bron: dit is een vertaling van het oorspronkelijke Engelse essay.
