Europa heeft een China-probleem: tussen afhankelijkheid, concurrentie en samenwerking

Marc Vandepitte (analyse)

Op 8 en 9 oktober komen het Chinese Ministerie van Handel en de Europese Commissie bijeen voor een nieuwe vergadering van het Handels- en Investeringscomité China-EU. Dit gebeurt op een moment waarop de economische machtsverhoudingen in de wereld razendsnel verschuiven. Een analyse van de vijf grootste handelsgeschillen tussen de twee economische grootmachten én de sleutels tot een werkbare relatie.

We leven in een onstabiele wereld waarin de geopolitieke verhoudingen in snel tempo verschuiven. Binnen het westerse kamp is de VS al lang geen betrouwbare partner meer. Tegelijkertijd zijn de landen uit het Globale Zuiden aan een sterke opmars bezig en verhuist het economische zwaartepunt van de wereld onmiskenbaar richting Zuidoost-Azië.

In deze veranderende wereldorde staan de economische betrekkingen tussen de Europese Unie en China onder spanning. Op woensdag 7 oktober 2026 stemde het Europees Parlement met een overweldigende meerderheid voor een aanzienlijk strengere officiële houding ten opzichte van China, onder het motto: “geen dumping meer, geen spionage meer en eerlijke concurrentie”.

In dit artikel gaan we dieper in op de handelsdisputen tussen beide economische machtsblokken. We formuleren de vijf belangrijkste verwijten van de EU aan China en geven telkens het antwoord daarop van Beijing. We besluiten met enkele mogelijke maatregelen of aanzetten om het handelsconflict te ontmijnen.

Disputen

1. Massale staatssteun en oneerlijke concurrentie

Volgens de EU ondersteunt China strategische industrieën op grote schaal via goedkope kredieten van staatsbanken, belastingvoordelen, goedkope grond en energie, subsidies en andere vormen van staatssteun. Daardoor zouden Chinese bedrijven producten onder marktvoorwaarden kunnen aanbieden waar Europese bedrijven moeilijk tegenop kunnen.

China ontkent niet dat de staat een grote rol speelt in zijn economie, maar het betwist de Europese conclusie dat die rol Chinese concurrentie per definitie “oneerlijk” maakt.

Volgens China komt het concurrentievoordeel van zijn bedrijven niet door subsidies maar vooral door schaalvoordelen, een complete industriële keten, een grote thuismarkt, technologische innovatie en jarenlange investeringen door bedrijven.

Ten tweede beschuldigt China de EU ervan met twee maten te meten. China zou geen subsidies mogen geven, maar de EU doet dat zelf ook.

2. Industriële overcapaciteit, goedkope export en scheve handelsbalans

China heeft een enorme productiecapaciteit opgebouwd in sectoren als elektrische auto’s, batterijen, zonnepanelen, staal, chemie en machines. De binnenlandse Chinese vraag kan die productie niet volledig absorberen. Volgens de EU ontstaat er een ‘overcapaciteit’ waardoor een steeds groter deel naar buitenlandse markten wordt geëxporteerd. Brussel vreest dat gesubsidieerde Chinese productie Europese fabrikanten uit de markt drukt. Dat veroorzaakt een groot handelstekort.

Beijing antwoordt daarop dat je niet kunt bepalen dat een land “overcapaciteit” heeft omdat het meer produceert dan het zelf consumeert en het verschil exporteert. Dan zouden Duitse auto’s, Europese geneesmiddelen, Franse wijn en Airbus-vliegtuigen evengoed voorbeelden van Europese “overcapaciteit” zijn. Internationale handel bestaat nu eenmaal doordat landen produceren voor buitenlandse markten.

China’s handelsoverschot is bovendien niet uitzonderlijk: net onder 4 procent van het bbp, dat is minder dan Duitslands overschot, dat 4,6 procent bedraagt.

Ten tweede beperkt Europa zelf wat het aan China wil verkopen en klaagt vervolgens over een handelstekort.

Als het gaat over zonnepanelen, batterijen en elektrische auto’s heeft de wereld juist veel méér groene technologie nodig heeft om de klimaattransitie mogelijk te maken. Goedkope Chinese producten vergroten het mondiale aanbod en drukken de kosten van de energietransitie.

Tenslotte erkent China dat er binnen sommige eigen sectoren wel degelijk een problematische prijsconcurrentie en inefficiënte capaciteit bestaat. Daarom heeft de Chinese regering opgeroepen om doorgeslagen binnenlandse concurrentie (“involution”), tegen te gaan en verouderde capaciteit te laten verdwijnen.

3. Europese bedrijven krijgen onvoldoende toegang tot de Chinese markt

Chinese bedrijven kunnen veel sectoren van de Europese markt betreden, overnemen en investeren, terwijl Europese ondernemingen in China volgens Brussel te maken krijgen met beperkingen, vergunningseisen, discriminatie en sectoren die geheel of gedeeltelijk gesloten blijven. De EU noemt onder meer geneesmiddelen, cosmetica en voeding als probleemsectoren.

Beijing antwoordt daarop dat dit achterhaald en eenzijdig is. Het wijst erop dat het zijn markt de afgelopen jaren aanzienlijk heeft geopend. Sinds november 2024 gelden bijvoorbeeld geen specifieke beperkingen meer op buitenlandse investeringen in de Chinese verwerkende industrie.

China draait de beschuldiging om: Europa is volgens Beijing zelf steeds minder open voor Chinese ondernemingen, onder meer door investeringsscreening, beperkingen rond 5G en halfgeleiders, EV-heffingen en het Europese “de-risking”-beleid.

4. China bevoordeelt eigen bedrijven en streeft naar zelfvoorziening

Brussel is bezorgd over China’s beleid om buitenlandse technologie en producten geleidelijk door Chinese alternatieven te vervangen. Het doel van technologische zelfvoorziening zou volgens de EU buitenlandse bedrijven steeds verder naar de zijlijn kunnen duwen.

Daarbij speelt ook een oudere Europese kritiek op gedwongen technologieoverdracht: buitenlandse bedrijven zouden in bepaalde gevallen verplicht worden om technologie, kennis of intellectueel eigendom te delen en zo toegang te krijgen tot de Chinese markt.

Beijing steekt niet onder stoelen of banken dat het minder afhankelijk wil zijn van buitenlandse landen voor essentiële technologieën zoals chips, machines, software en geavanceerde materialen, maar voegt daaraan toe dat technologische zelfredzaamheid en open handel elkaar niet uitsluiten.

Formeel gesproken is technologieoverdracht verboden in China, hoewel het wellicht toch gebeurt. Maar, in de EU gaan nu juist stemmen op om precies hetzelfde te eisen van Chinese bedrijven die willen investeren in Europa.

5. Exportbeperkingen op kritieke grondstoffen

De EU beschuldigt China ervan zijn sterke positie op dit vlak steeds vaker te gebruiken als strategisch drukmiddel.

Beijing antwoordt daarop dat exportbeperkingen geen economisch wapen zijn, maar dat het gaat over normale exportcontroles voor goederen die zowel civiel als militair kunnen worden gebruikt. Controles zijn noodzakelijk voor de nationale veiligheid en om internationale verplichtingen rond non-proliferatie na te komen, net zoals westerse landen exportcontroles toepassen op bijvoorbeeld geavanceerde chips en militaire technologie.

In dat verband vindt Beijing het hypocriet dat Europa en vooral de VS uitgebreide exportbeperkingen voor halfgeleiders en hightechmachines rechtvaardigen met het argument van “nationale veiligheid”, maar Chinese exportcontroles op strategische grondstoffen als “economische dwang” beschouwen.

Daarnaast verwijt China Brussel dat begrippen als ‘de-risking’, ‘economische veiligheid’ en ‘strategische autonomie’ steeds vaker worden gebruikt om gewone handel en investeringen politiek te maken. Volgens China worden vooral die sectoren waarin Chinese bedrijven sterk zijn geviseerd, zoals EV’s, 5G en halfgeleiders.

Op elkaar aangewezen

Tot daar de verwijten van de Europese Unie en de repliek van China. Als je die lijst bekijkt is het weinig waarschijnlijk dat dit handelsconflict volledig kan worden opgelost, in de zin dat alle economische spanningen zouden verdwijnen. We mogen niet vergeten dat China en de EU verschillende economische modellen hebben en dat ze steeds directer concurreren in dezelfde industriële sectoren.

Maar dat betekent niet dat het conflict niet kan worden beheerst. Mits wat geven en nemen aan beide kanten kan de handelsrelatie evenwichtiger worden en kan een handelsoorlog vermeden worden.

Interessant in dat verband is dat sinds 29 juni 2026 daar ook daadwerkelijk een onderhandelingskader voor bestaat. China en de EU hebben toen de Trade and Investment Consultations (TIC) opgericht, met vier werkgroepen. Een volgende ministeriële ronde is voorzien voor het najaar van 2026.

Hoe dan ook zijn China en Europa op elkaar aangewezen en zou een handelsoorlog nefast uitdraaien voor allebei.

Voor China is Europa belangrijk omdat het een van zijn grootste afzetmarkten is en een bron van technologie en industriële knowhow. In 2025 was de EU China’s tweede grootste bron van hightechimport en tegelijk China’s derde grootste exportmarkt. Een slechte relatie met Europa zou China raken in zijn export, investeringen en toegang tot geavanceerde technologie.

Omgekeerd is China ook belangrijk voor Europa. Voor de groene transitie zijn de goedkope Chinese batterijen en zonnepanelen onontbeerlijk. De opkomst van Chinese open AI-modellen is voor Europa een belangrijke hefboom om niet volledig afhankelijk te worden van Amerikaanse technologiebedrijven. Daarnaast is Europa afhankelijk van de levering van verwerkte zeldzame metalen. Een breuk met China zou de Europese industrie, digitale ontwikkeling en energietransitie zwaar raken.

Hieronder schetsen we negen aanzetten voor een oplossing of versoepeling van het handelsconflict.

Oplossingen

1. Handel upgraden in plaats van downgraden

De EU hoeft haar handelstekort met China niet te verkleinen door minder in te voeren, protectionisme dus. Een duurzamere oplossing is dat China zijn markt verder opent voor Europese goederen en diensten, bijvoorbeeld in gezondheidszorg, farmacie, financiële diensten en overheidsopdrachten. I

In juni 2026 spraken beide partijen af de mogelijkheden voor meer Europese export naar China te onderzoeken. Beijing noemt dat “balancing upward rather than downward” (“eerder naar boven dan naar beneden bijstellen”).

2. Sluit concrete sectorakkoorden in plaats van één allesomvattend akkoord na te streven

Het dispuut over elektrische auto’s laat zien hoe dat kan. In plaats van alleen maar Europese heffingen en Chinese tegenmaatregelen kunnen Chinese producenten bijvoorbeeld minimumprijzen, importvolumes of investeringen in Europese productie overeenkomen.

In februari 2026 accepteerde de Commissie zo’n regeling voor Volkswagen Anhui. Daardoor kan de in China gebouwde CUPRA Tavascan zonder de extra EV-heffing in de EU worden ingevoerd, zolang Volkswagen Anhui zich houdt aan voorwaarden rond minimumprijs, jaarlijks invoerquotum, rapportage en controle.

Zulke afspraken zouden ook denkbaar zijn voor batterijen, zonnepanelen, staal en andere gevoelige sectoren.

3. Maak subsidies veel transparanter, aan beide kanten.

Brussel ziet Chinese staatssteun als marktverstorend, terwijl Beijing erop wijst dat Europa zijn industrie tegenwoordig zelf fors subsidieert. Een compromis zou zijn dat beide partijen veel systematischer rapporteren welke subsidies, goedkope leningen, belastingvoordelen en andere vormen van steun bedrijven ontvangen.  

Daar kunnen gemeenschappelijke criteria aan gekoppeld worden voor wanneer staatssteun daadwerkelijk als schadelijk wordt beschouwd. Dat zou het moeilijker maken voor zowel Brussel als Beijing om simpelweg de eigen subsidies als legitiem en die van de ander als “oneerlijk” te bestempelen.

4. China herbalanceert zijn binnenlandse economie

Herbalanceren is uiteindelijk fundamenteler dan tarieven opleggen. China produceert enorm veel, terwijl de binnenlandse consumptie relatief zwak blijft waardoor een steeds groter deel van de productie op buitenlandse markten wordt afgezet. Het IMF adviseert China daarom meer middelen richting huishoudens, sociale zekerheid en consumptie te sturen en minder richting inefficiënte investeringen en industriële steun.

Meer Chinese consumptie zou tegelijkertijd Chinese levensstandaarden verhogen, meer Europese import mogelijk maken en de druk van Chinese export op Europa verminderen. Het Chinese vijftiende vijfjarenplan voor 2026-2030 erkent zelf dat consumptie een grotere motor van de groei moet worden.

5. Beperk “economische veiligheid” tot echt strategische sectoren

Europa zal waarschijnlijk niet terugkomen op het principe van de-risking. Afhankelijkheid van één land voor bijvoorbeeld bepaalde zeldzame aardmetalen, halfgeleiders of kritieke infrastructuur vormt daadwerkelijk een risico. Maar dat is niet geloofwaardig wanneer vrijwel iedere commerciële sector onder “nationale veiligheid” begint te vallen.

Een compromis zou daarom duidelijke, beperkte criteria vereisen: strenge controle op werkelijk strategische technologieën en infrastructuur, maar normale markttoegang voor Chinese investeringen en producten daarbuiten.

Omgekeerd zou China exportcontroles op zeldzame aardmetalen voorspelbaarder kunnen maken, met algemene vergunningen voor normaal civiel gebruik. Dat is inmiddels expliciet onderwerp van het nieuwe EU-China-overleg.

6. Breng meer conflicten terug naar multilaterale regels.

China en de EU hebben allebei belang bij een functionerende Wereldhandelsorganisatie (WTO), zeker nu de Verenigde Staten veel vaker eenzijdige tarieven gebruiken. De huidige WTO-regels zijn echter slecht toegerust voor een economie met staatssturing, uitgebreide industriële subsidies, staatsbedrijven, exportcontroles en nieuwe vormen van industriebeleid. Hervormingen dringen zich op.

Een gezamenlijk akkoord over nieuwe subsidieregels zou veel duurzamer zijn dan een eindeloze reeks Europese antidumping-onderzoeken en Chinese vergeldingsmaatregelen.

7. Behandel investeringen wederkeriger.

Europa laat Chinese investeringen toe als die banen, productie en onderzoek opleveren, binnen duidelijke regels rond staatssteun en veiligheid. China zou buitenlandse bedrijven op zijn beurt gelijke toegang moeten geven tot zijn markt, diensten en overheidsopdrachten.

Het in 2020 onderhandelde Comprehensive Agreement on Investment (CAI) bevatte veel van zulke afspraken, maar is politiek nog steeds geblokkeerd in het Europees Parlement. Een volledige heropleving daarvan lijkt momenteel moeilijker dan kleinere afzonderlijke afspraken.

8. Autonomie

In het verleden heeft Europa zich te veel op sleeptouw laten nemen door de VS, denk maar aan de militarisering gelinkt aan de invoer van wapens uit de VS, de energie-afhankelijkheid, de digitale infrastructuur, de handelspolitiek, maar ook de confrontatiepolitiek met China.

De EU kan alleen maar evenwichtige relaties met China opbouwen als het een eigen, autonome koers vaart op basis van haar eigen belangen en waarden, anders dreigt ze meegesleurd te worden in een heilloze zero-sum politiek.

9. Pedagogie

Sinds de veroveringen van Columbus voelt Europa zich de heerser van de wereld. Dat heeft zijn gevolgen, zoals Kishore Mahbubani scherp heeft verwoord: “De Europese neiging om niet-Europese culturen en samenlevingen minachtend en neerbuigend te behandelen, is diepgeworteld in de Europese psyche.” Europa vindt zichzelf superieur en vindt het evident van de lakens uit te delen.

Dat machtsoverwicht is op 25 jaar tijd compleet overhoopgehaald, maar de psyche van 500 jaar overheersing en superioriteit is zeer diep verankerd en blijft hardnekkig hangen. Europa kan zich niet voorstellen dat het landen uit het Globale Zuiden als gelijkwaardige partner hoort te behandelen.

Toch zal het dat moeten leren, zij het dat dit zeer moeizaam zal zijn.

Het is aan de politieke verantwoordelijken en opiniemakers in zowel Europa als in China om goede wegen en methoden te vinden – de juiste pedagogie – om dat proces te bevorderen.

Marc Vandepitte is publicist met als specialisaties o.a. China, Cuba, en internationale betrekkingen in het algemeen.

In de bovenstaande analyse geeft hij zijn mening weer. Opiniestukken weerspiegelen de visie van de individuele auteurs en niet noodzakelijk de officiële lijn van de volledige redactie.