Dit is een artikel van Henry Huiyao Wang, stichter-voorzitter van het China Centre on Globalisation, een bekende Chinese ngo die ijvert voor meer internationale samenwerking. Hij maakt een brede en nuchtere analyse van de relatie tussen China en Europa. Het verscheen op de substack van The East is Read. De vertaling naar het Nederlands is van Chinasquare/Frank Willems

China en Europa beschikken over vrijwel alles wat nodig is voor een betekenisvol partnerschap. Hun economieën zijn diep met elkaar verweven. Er zijn geen fundamentele geopolitieke geschillen. Bovendien delen zij belangen op het gebied van klimaatactie, mondiale ontwikkeling en een goed functionerend multilateraal stelsel. Toch is de bilaterale relatie zwakker dan zij zou kunnen zijn. De kern van het probleem is een handelsgeschil; dit verandert een relatie die – gebaseerd op gemeenschappelijke belangen – vruchtbaar zou moeten zijn, in een verhouding die steeds vaker wordt getekend door termen als industriële kwetsbaarheid en tarieven.
Handel is zo een splijtzwam geworden die een wederzijds voordelige onderlinge afhankelijkheid dreigt te verstoren. En dat komt op een ongelegen moment. De internationale orde beweegt zich weg van het unipolaire tijdperk dat volgde op de Koude Oorlog en richting een nieuw multipolair tijdperk – een tijdperk waarin multilateralisme en de verdediging van de mondiale instellingen belangrijker zijn dan ooit. Oorlogen, handelsconflicten, technologische fragmentatie en druk op multilaterale instellingen creëren een wereld die weliswaar meer multipolair is, maar niet beter bestuurbaar. Meer dan ooit is er behoefte aan samenwerking op het vlak van mondiaal bestuur bij een breed scala aan grensoverschrijdende vraagstukken, van klimaatverandering tot kunstmatige intelligentie.
Europa in een multipolaire wereld
Gedurende een groot deel van de naoorlogse periode vormde de trans-Atlantische alliantie de centrale pijler van de Europese veiligheid. Maar het tijdperk van Amerikaanse hegemonie – waarin men zich nog een zekere diplomatieke passiviteit kon veroorloven – is voorbij. Het is inmiddels duidelijk dat Europese beleidsmakers beseffen dat formele allianties en gedeelde waarden geen vervanging meer kunnen zijn voor een eigen, onafhankelijk oordeel over geopolitieke en economische vraagstukken. Zeker nu het Amerikaanse beleid zich openlijk eenzijdig, transactioneel en protectionistisch opstelt – en daarmee haaks staat op de Europese belangen.
Europa wil geen passieve deelnemer zijn in de Amerikaanse machtspolitiek, noch geklemd raken tussen de Verenigde Staten en China. Daarom is Europa begonnen met het uitzetten van een koers richting strategische autonomie, ook al is de precieze invulling daarvan nog niet vastgelegd. China begrijpt dat het voor Europa geen aantrekkelijk vooruitzicht is om te moeten ‘kiezen voor China’ boven de Verenigde Staten – zeker niet nu zelfbeschikking en strategische autonomie een speerpunt van het Europese beleid zijn geworden.
Vanuit Chinees perspectief is het doorbreken van de tegenstelling ‘het Westen versus de rest’ door Europa al een vooruitgang op zich. Het maakt namelijk een verschuiving mogelijk: weg van allianties die gebaseerd zijn op ideologie, naar een wereld van tactische samenwerking die dossier per dossier wordt bekeken op basis van de inhoudelijke merites.
De Canadese premier Mark Carney bood hiervoor tijdens het World Economic Forum in Davos een treffende omschrijving: ‘variabele geometrie’. Dit houdt in dat er voor verschillende vraagstukken telkens andere coalities worden gevormd, gebaseerd op gedeelde belangen in plaats van op waarden die niet overal even stevig of op dezelfde wijze worden nageleefd.
In dit model kan Europa op defensiegebied nauw samenwerken met de Verenigde Staten, terwijl het tegelijkertijd op het vlak van klimaat en hervorming van de wereldhandel de krachten bundelt met China, of met India samenwerkt aan ontwikkelingsvraagstukken. Een dergelijke flexibiliteit wordt in onze pluriforme wereld steeds meer de norm.
Een eensgezind Europa dat zelfstandig kan handelen, is te verkiezen boven een verdeeld continent waarvan het Chinabeleid in toenemende mate elders wordt bepaald. Maar dat betekent ook dat beleidsmakers in China rekening moeten houden met de Europese zorgen, willen zij kunnen profiteren van een nauwere band en samenwerking op basis van gemeenschappelijke belangen.
Een veranderende verstandhouding
De voornaamste zorg die in Europa leeft – en die een op concrete merites gebaseerde relatie ondermijnt – is dat de oude, impliciete economische afspraak (Europese technologie en hoogwaardige industriële producten in ruil voor Chinese consumptiegoederen en goedkopere productie) plaatsmaakt voor een verhouding die meer door onderlinge concurrentie wordt gekenmerkt.
China beschikt inmiddels over omvangrijke industriële ecosystemen, infrastructuur van wereldklasse, geschoold technisch talent en het vermogen om innovaties snel op grote schaal naar de markt te brengen. Het land concurreert niet langer enkel op basis van loonkosten. In sectoren als elektrische voertuigen, batterijen, zonne-energie, machinebouw, telecommunicatieapparatuur en in toenemende mate ook geavanceerde digitale toepassingen, weten Chinese bedrijven een combinatie van lage kosten, snelheid en technologisch vernuft te bieden.
Laten we echter niet doorslaan in doemdenken. De economische basis die China en de EU delen, blijft enorm. In 2025 bedroeg de wederzijdse handel in goederen en diensten meer dan 880 miljard euro. Europa importeerde voor ruim 570 miljard euro aan goederen uit China en exporteerde voor ongeveer 200 miljard euro, wat voor Europa resulteert in een aanzienlijk bilateraal handelstekort in goederen. Dit cijfer moet echter met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. De Europese Unie noteerde in 2025 nog steeds een globaal handelsoverschot in goederen van circa 128 miljard euro, evenals een aanzienlijk overschot op de lopende rekening. Bovendien zijn niet alle importproducten eindproducten: uit gegevens van Eurostat blijkt dat 57 procent van de totale goederenimport van buiten de EU in 2025 bestond uit halffabricaten. Dit betekent dat een groot deel van wat Europa importeert, terechtkomt in productieketens die waarde toevoegen – ketens waarvan Europa zelf ook profiteert.
De uitdaging voor Europa is dat hoewel de industrie over het algemeen winstgevend blijft, bepaalde cruciale sectoren al onder druk staan en lijkt het onwaarschijnlijk dat de trend plotseling ten gunste van de Europese maakindustrie zal keren.
Deze crisis treft Europa bovendien niet in een vacuüm. De situatie wordt verergerd door hoge energiekosten, een vergrijzende bevolking, gefragmenteerde kapitaalmarkten en chronische onderinvesteringen. Het resultaat is een reële angst voor de-industrialisering, met het bijbehorende verlies van geschoolde arbeidsplaatsen, toeleveringsnetwerken, technologische capaciteit en sociale cohesie. Deze angst zien we vooral in de grote Europese economieën met een omvangrijke exportgerichte maakindustrie, zoals Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje, en maakt het debat over ‘overcapaciteit’ zeer politiek beladen.
Hoewel de onbalans in de handel een gevolg is van industriële concurrentiekracht, kan ze deels ook worden toegeschreven aan de zwakke binnenlandse vraag in China. De huishoudelijke consumptie daar bedraagt ongeveer 40 procent van het bbp, terwijl gezinnen veel sparen voor huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg en pensioen. Het consumptieactieplan voor 2025 richtte zich op betere lonen, pensioenen, gezondheidszorg, kinderopvang, betaald verlof en uitkeringen voor plattelandsmigranten en flexwerkers. China’s eerste specifiek vijfjarenplan voor consumptie stelt een doelstelling van ongeveer 60 biljoen yuan aan detailhandelsverkopen in 2030. Maar het is te vroeg om te denken dat deze inspanning volstaat. Hoewel het besteedbaar inkomen per hoofd van de bevolking in 2025 met 5 procent steeg en de consumptie-uitgaven met 4,4 procent, was de eerste helft van 2026 zwakker en blijft de totale consumptie achter bij wat zou moeten. Betere pensioenen, gezondheidszorg, werkloosheidsverzekering, kinderopvang en overdraagbare uitkeringen voor migranten zullen helpen om het sparen uit voorzorg te verminderen. Ook een betere toegang voor buitenlandse goederen en diensten zou ervoor zorgen dat een grotere Chinese vraag meer kansen creëert voor Europese producenten. Die transformatie is echter nog niet voltooid.
Europa moet op zijn beurt erkennen dat concurrentieel succes op zich geen gevolg van oneerlijke subsidie is. Het Internationaal Energieagentschap schat dat de productie van een elektrische auto in China meer dan 30 procent goedkoper is dan in rijke landen, waarbij slechts ongeveer een derde van het verschil toe te schrijven is aan de batterij; een vergelijkbaar kostenverschil bestaat voor conventionele voertuigen. Het eerdere industriebeleid van China heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de totstandkoming van dit ecosysteem, maar belangrijke vormen van directe steun, waaronder nationale subsidies voor de aanschaf van elektrische voertuigen, zijn al afgebouwd.
Rhodium Group schat dat BYD een kostenvoordeel heeft van ongeveer $ 4.700 per voertuig ten opzichte van een Tesla gebouwd in China. Subsidies maken slechts ongeveer $ 292 uit, terwijl verticale integratie en lagere onderzoeks-, administratie- en toeleveringskosten minstens driekwart van het verschil verklaren. BYD produceert ongeveer 70 procent van zijn componenten in eigen huis, inclusief de batterijen. Europa mag marktverstorende steun onderzoeken en heeft gelijk dat het aandringt op transparantie, maar het zou het ecosysteem, de technologie en de efficiëntie die China heeft opgebouwd niet als oneerlijk mogen bestempelen.
De Chinese automobielsector is evenmin immuun voor concurrentie. Het aantal Chinese fabrikanten van elektrische voertuigen werd in 2018 geschat op 487; tegen 2025 heeft consolidatie de markt teruggebracht tot ongeveer 129 merken, geproduceerd door zo’n 50 fabrikanten, en naar verwachting zullen er in 2030 slechts 10 tot 15 winstgevend zijn. China exporteerde ongeveer 5,86 miljoen van de meer dan 31 miljoen voertuigen die het in 2024 verkocht, wat betekent dat het overgrote deel nog steeds in eigen land werd verkocht. Ter vergelijking: Volkswagen leverde wereldwijd 9,03 miljoen voertuigen, maar slechts 1,12 miljoen in Duitsland, terwijl Toyota en Lexus er wereldwijd 10,16 miljoen verkochten waarvan 1,44 miljoen in Japan. Airbus verkoopt eveneens ongeveer 68 procent van zijn vliegtuigen buiten Europa. Produceren voor wereldmarkten wordt als normaal beschouwd wanneer gevestigde Europese of Japanse bedrijven dit doen; het zou niet automatisch als onrechtmatig mogen worden beschouwd wanneer Chinese bedrijven hetzelfde doen.
De Chinese textielindustrie is een ander historisch voorbeeld. Zelfs toen de lonen stegen en een deel van de productie naar Vietnam, Bangladesh en elders verhuisde, behield China in 2017 nog 37 procent van de wereldwijde textielexport en 34 procent van de kledingexport. Dit kwam doordat toeleveringsclusters, infrastructuur, vaardigheden en continue innovatie langer bleven duren dan lage arbeidskosten.
Voorbij de economische concurrentie zijn er dringend duidelijkere regels nodig voor zekerheid in kritieke industrieën. Het geschil over Nexperia – een Chinees chipbedrijf in Nederland waarvan de Nederlandse overheid in 2025 de controle overnam – verstoorde de toeleveringsketens ernstig en vergrootte de bezorgdheid in China over investeringen in het buitenland. Ofwel had het bedrijf oorspronkelijk niet aan een Chinese investeerder verkocht moeten worden, ofwel had een duidelijker regelgevingskader kunnen voorkomen dat een feitelijke nationalisatie een bedrijfsgeschil snel deed internationaliseren en tot op de dag van vandaag weegt op de wederzijdse investeringsrelaties.
Evenzo kunnen voorstellen voor een Europees instrument, gemodelleerd naar de bevoegdheden van Sectie 301 van de Verenigde Staten, geruststellend lijken voor Europa. Maar Sectie 301 is een bot, unilateraal instrument dat bedoeld is om vergeldingsmaatregelen mogelijk te maken. Europa zou beter gediend zijn met een expliciet tijdelijk mechanisme. Wanneer een importgolf de binnenlandse markten dreigt te destabiliseren, kunnen tijdelijke beschermingsmaatregelen tijd bieden voor aanpassing, maar ze moeten gebaseerd zijn op feiten, toetsbaar zijn en onderworpen zijn aan duidelijke eindbepalingen. Hun doel moet zijn om aanpassing en onderhandeling te faciliteren, niet om noodbescherming om te zetten in een permanente muur.
Een industrieel pact voor gedeelde concurrentiekracht
Toen ik deze zomer het huis van Jean Monnet buiten Parijs bezocht, werd ik herinnerd aan de methode die heeft bijgedragen aan de opbouw van het moderne Europa: begin met concrete realisaties die de basis leggen voor solidariteit. Die methode is nu extra belangrijk, nu handel een splijtzwam is geworden terwijl vertrouwen en handel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
We moeten daarom een nieuw industrieel pact sluiten: een pact dat de Chinese industriële capaciteit afstemt op de Europese behoefte aan investeringen, innovatie en werkgelegenheid, en dat China en Europa in staat stelt samen op te komen voor een wereld van vrije, eerlijke en open handel.
Ten eerste moet China de verschuiving van een export- en investeringsgericht model naar een consumptiegedreven groeimodel doorzetten. Naast de hierboven beschreven sociale maatregelen vereist dit het wegnemen van belemmeringen voor particuliere en buitenlandse bedrijven, het verbeteren van de markttoegang voor diensten en overheidsopdrachten, en een transparantere toepassing van regelgeving. Europese bedrijven moeten in China kunnen concurreren en erop rekenen dat ze gelijke behandeling krijgen en hun intellectuele eigendom kunnen beschermen.
Ten tweede moet Europa een scherper onderscheid maken tussen handel in producten die een reëel veiligheidsrisico vormen enerzijds en investeringen die de Europese productiecapaciteit versterke anderzijds . Zorgen over de veerkracht en veiligheid van toeleveringsketens in bepaalde strategische sectoren zijn onvermijdelijk, gezien de toenemende internationalisering. Maar vooroordelen tegen Chinese investeringen beroven Europa van kapitaal, technologie, concurrentie en banen juist op het moment dat het die het hardst nodig heeft, In plaats daarvan zou Europa openlijk investeringen kunnen verwelkomen die voldoen aan haar normen op het gebied van bestuur, gegevensbescherming, arbeidsnormen en milieuprestaties, en zo de lokale economische bijdrage van dergelijke productie vergroten.
Deze openheid moet worden verankerd in een vernieuwde investeringsovereenkomst. De in 2020 in principe bereikte overeenkomst is nooit geïmplementeerd en de relatie is te veel veranderd om deze zomaar ongewijzigd nieuw leven in te blazen. China en Europa zouden in plaats daarvan moeten onderhandelen over een nieuwe overeenkomst inzake markttoegang, nationale behandeling, transparantie van subsidies, technologieoverdracht, overheidsaanbestedingen en afdwingbare geschillenbeslechting.
Deze overeenkomst zou Europese bedrijven een meer voorspelbare toegang tot China moeten bieden, terwijl er duidelijke en consistente voorwaarden worden vastgesteld voor Chinese markttoegang -en investeringen in Europa, met het oog op het creëren van werkgelegenheid en toeleveringsnetwerken .
China heeft al aangetoond hoeveel waarde het hecht aan markttoegang door de tariefvrije behandeling uit te breiden naar goederen uit 53 Afrikaanse landen, en het zou expliciet stappen kunnen ondernemen om zijn normen nauwer af te stemmen op die van Europa. Europa zou op zijn beurt zijn technologie- en investeringsbeperkingen moeten heroverwegen, met name die beperkingen die specifiek zijn ingevoerd om Amerikaanse belangen te beschermen, zoals de beperkingen die China beletten geavanceerde halfgeleiderapparatuur van ASML te kopen.
Er bestaan al positieve voorbeelden van Chinese investeringen in Europa. Chinese bedrijven investeren in de productie van batterijen en voertuigen in Hongarije, Slowakije, Spanje en Servië, terwijl Europese fabrikanten – waaronder Volkswagen, BMW en Mercedes-Benz – hun onderzoeks-, productie- en partnernetwerken in China blijven verdiepen. Deze investeringen moeten niet worden gezien als geïsoleerde commerciële transacties. Ze kunnen de basis vormen voor een evenwichtigere relatie.
Ten derde moet lokalisatie meer inhouden dan alleen eindassemblage. Joint ventures en investeringsovereenkomsten kunnen de ontwikkeling van lokale leveranciers, de opleiding van werknemers, onderzoekspartnerschappen en het delen van productiekennis stimuleren, met respect voor intellectuele-eigendomsrechten. De Chinese industrie profiteerde ooit van Europese knowhow via joint ventures; in ruil daarvoor kan de Europese industrie nu profiteren van Chinese vooruitgang. Het doel moet een concurrerend ecosysteem zijn waarin zowel Chinese als Europese bedrijven een aandeel hebben.
Ten vierde moeten alle handelsmaatregelen gericht en tijdelijk zijn. Als een importgolf ernstige schade dreigt te veroorzaken, kunnen beschermingsmaatregelen tijd winnen voor aanpassing. Maar ze moeten duidelijke bewijsdrempels, vervalbepalingen en evaluatieprocedures hebben. Bescherming zonder een productiviteitsstrategie stelt de achteruitgang slechts uit en riskeert marginalisering, in plaats van een dynamische industriële sector te laten ontstaan. Tegelijkertijd kan en moet Europa zijn eigen agenda voltooien: de energiekosten verlagen, de interne markt verdiepen, investeringen mobiliseren, innovatieve bedrijven laten groeien en de infrastructuur verbeteren.
Hier kan China Europa’s ‘fitnesspartner’ worden. De uitdrukking klinkt misschien eigenaardig in een tijd van industriële angst, maar de onderliggende gedachte is belangrijk. Gezonde concurrentie vanuit China kan Europese bedrijven en overheden ertoe aanzetten om lang uitgestelde hervormingen aan te pakken, kosten te verlagen en sneller te innoveren. Bescherming tegen concurrentiedruk creëert geen gezondheid; concurrentie kan daarentegen dienen als maatstaf voor het herstellen van kracht. China profiteert ondertussen meer van een welvarend en sterk Europa dan van een verzwakte markt die steeds vijandiger staat tegenover Chinese handel.
Ten slotte moet het pact verder kijken dan de bilaterale markt. Chinees-Europese joint ventures zouden zich kunnen richten op het buitenland, op de product- en ontwikkelingsbehoeften van het Mondiale Zuiden. Gezamenlijke productie voor markten in het Mondiale Zuiden zou een startpunt kunnen zijn, met als uiteindelijke doel gezamenlijke financiering van ontwikkeling en infrastructuur om de groene industrialisatie in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten te versnellen.
Dit zou de volgende fase van globalisering betekenen: niet simpelweg Chinese bedrijven ‘in China, voor de wereld’, maar ‘in de wereld, voor de wereld’. Het zou de productiecapaciteit breder verspreiden, zorgen over geconcentreerde toeleveringsketens wegnemen en ontwikkeling tot een gezamenlijke onderneming maken in plaats van een arena voor geopolitieke concurrentie
Van commercieel vertrouwen naar strategische samenwerking
Een industrieel pact kan op zichzelf niet alle politieke verschillen wegnemen. Maar het zou dienen als een springplank en een oefening in het opbouwen van vertrouwen voor diepere verbintenissen en verdere samenwerking op het gebied van gedeelde belangen.
Klimaatsamenwerking is het meest voor de hand liggende. De schaalvoordelen van de Chinese productie hebben de wereldwijde kosten van zonnepanelen, batterijen en elektrische voertuigen verlaagd, wat de transitie van fossiele brandstoffen op een zeer concrete manier ondersteunt. Tegelijkertijd lijdt Europa onder een energiecrisis die is ontstaan door de Russische invasie van Oekraïne en, meer recent, door de onrust in het Midden-Oosten rond de Straat van Hormuz en Bab al-Mandeb.
Een logische stap zou zijn dat China en Europa een groen partnerschap opbouwen dat de wereld helpt af te kicken van de volatiele fossiele brandstoffen en de klimaatcrisis aan te pakken. De precieze vorm daarvan ligt nog niet vast, maar het gebruik van joint ventures, samenwerking en technologie-uitwisseling om Chinese expertise en kostenvoordelen te benutten, zou beide partijen ten goede kunnen komen en tegelijkertijd de wereldwijde groene transitie stimuleren. Een spiraal van tarieven op schone technologie zou de energietransitie daarentegen vertragen en voor iedereen duurder maken.
Meer in het algemeen delen China en Europa een belang bij de oplossing van conflicten. China heeft altijd duidelijk gemaakt dat soevereiniteit en territoriale integriteit universeel gelden, dat nucleaire escalatie onaanvaardbaar is en dat een onderhandelde oplossing geloofwaardige veiligheid voor alle partijen moet bieden. Maar het kan meer doen om de zorgen weg te nemen van een Europa dat zich bedreigd voelt door Rusland, dat nu al vijf jaar in Oekraïne vecht. Door samen te werken zouden Europa en China een uitweg kunnen bieden, waarbij elk zijn invloed gebruikt om de onderhandelingsposities dichter bij elkaar te brengen. Een werkelijk duurzame oplossing, aanvaardbaar voor beide partijen, vereist uiteindelijk wellicht veiligheidsgaranties waarbij zowel Europese als niet-Europese landen betrokken zijn, en China zou daaraan kunnen bijdragen door middel van wederopbouw, nucleaire veiligheid en vredeshandhaving.
Het Midden-Oosten is een andere regio waar de gemeenschappelijke belangen groter zijn dan de huidige beleidscoördinatie doet vermoeden. Het aanhoudende conflict en de instabiliteit rond de zeestraat hebben niet alleen de transitie weg van fossiele brandstoffen een nieuwe impuls gegeven, maar ook een nieuw gebied van gedeeld belang gecreëerd. Europa en China zouden samen een vredesarchitectuur met bredere internationale participatie kunnen ondersteunen.
Het bestuur van kunstmatige intelligentie biedt een andere kans. China en Europa benaderen data, platforms en regelgeving op verschillende manieren, maar beide landen verwerpen een toekomst waarin een handvol private bedrijven wereldwijde regels vaststellen zonder publieke verantwoording. Ze kunnen samenwerken aan veiligheidstesten, wetenschappelijke uitwisseling, interoperabele standaarden en de toepassing van AI op het gebied van gezondheid, klimaat en ontwikkeling. Overeenstemming bereiken zal moeilijk zijn, maar het creëren van een gedeelde omgeving voor regelgeving zou fragmentatie in dit snel ontwikkelende veld helpen voorkomen.
Ten slotte pleiten China en de EU al lange tijd voor het herstel van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Een nieuw leven ingeblazen WTO beschikt al over instrumenten om subsidies en aantoonbare schade aan te pakken. In WTO-geschillen werd vastgesteld dat Boeing en Airbus hadden geprofiteerd van ongeoorloofde steun, en die zaken werden afgehandeld via multilaterale procedures in plaats van via een onbeperkt gevecht tegen elkaars industrieel succes. Het geschillenbeslechtingsarbitragesysteem van de WTO moet nu worden hersteld, de regels inzake subsidies en staatsbedrijven moeten worden geactualiseerd en de ontwikkelingsfuncties moeten worden versterkt. De Verenigde Staten hebben het systeem verzwakt door benoemingen in de beroepsinstantie te blokkeren na ongunstige uitspraken; maar China en Europa zijn beide belangrijke begunstigden van een open handelssysteem, en beide partijen kunnen aandringen op hervormingen.
Niets hiervan is duurzaam zonder hernieuwd contact tussen de samenlevingen. Rechtstreekse vluchten, studentenuitwisselingen, toerisme, universitaire partnerschappen, verzustering tussen steden en de dialoog tussen denktanks spelen hierbij allemaal een rol; zij vormen immers de infrastructuur voor wederzijds begrip.
De betrekkingen tussen China en Europa zullen niet altijd volledig rechtlijnig zijn; ze zullen waarschijnlijk elementen van zowel samenwerking en concurrentie als meningsverschillen blijven bevatten. Maar samen kunnen we het vooruitzicht van ‘bewapende onderlinge afhankelijkheid’ (waarbij afhankelijkheid als wapen wordt ingezet) achter ons laten en toewerken naar een vorm van onderlinge afhankelijkheid die voor beide partijen voordelig is
Europa hoeft niet minder Europees te worden om met China te kunnen samenwerken, en China hoeft evenmin Europese politieke normen over te nemen om tot een succesvolle samenwerking te komen. Beide partijen zijn vrij om selectief samen te werken, waarbij elk vraagstuk op zijn eigen merites wordt beoordeeld. Een wereld waarin China en Europa – ondanks hun nauwe economische banden en hun gedeelde belang bij multilateralisme –geen terreinen van diepgaand gemeenschappelijk belang kunnen vinden is een wereld die aantoonbaar armer is.
Bron: substack The East is Read
https://www.eastisread.com/p/henry-huiyao-wang-a-new-compact-for
