Hoe Europa zichzelf buiten de verklaring plaatst en daarmee de intelligentie van de rest van de wereld tart. Met als voorbeeld: de grillige betrekkingen van de EU met China.
Gordon Dumoulin en Thore Vestby (opinie *)

Bijna duizend jaar geleden schreef de Chinese dichter en staatsman Su Shi (苏轼, 1037–1101):
“Waarom ziet men de ware gedaante van de berg Lu niet? Omdat men zich midden in de berg bevindt.”
Su Shi leefde tijdens de Noordelijke Song-dynastie (960–1127), een periode van grote welvaart en culturele bloei, maar ook van toenemende geopolitieke druk en politieke verdeeldheid. Terwijl hervormers en conservatieven zich steeds dieper ingroeven in hun eigen gelijk, wees hij op een fundamenteler probleem: het onvermogen om buiten het eigen denkkader te kijken.
De berg Lu was nooit alleen een berg. Zij stond voor een toestand waarin gewoonten, instituties en overtuigingen zo vanzelfsprekend worden dat zij niet langer als perspectief worden herkend, maar als de werkelijkheid zelf.
Een generatie later stortte de Noordelijke Song-dynastie in. In 1127 viel Kaifeng in handen van de Jurchen Jin-dynastie. Wat onaantastbaar leek, bleek dat niet te zijn.
Su Shi’s observatie is nog altijd relevant. Hoe sterker een samenleving gevangen raakt in haar eigen aannames, hoe moeilijker het wordt onderscheid te maken tussen perspectief en werkelijkheid.
题西林壁
Su Shi (苏轼, 1037–1101)
横看成岭侧成峰,远近高低各不同。
不识庐山真面目,只缘身在此山中。
Inscriptie op de muur van de Westelijke Bostempel
Van voren lijkt zij een bergkam, van opzij een piek.
Van veraf en dichtbij, van hoog en laag toont zij telkens een ander gezicht.
Wij zien de ware gedaante van de berg Lu niet, omdat wij ons midden in de berg bevinden.
Wanneer samenlevingen diep verankerd raken in hun eigen intellectuele en institutionele kaders, ontstaat het risico dat interpretatie de plaats inneemt van realiteit. Oorzaken worden vereenvoudigd. Context verdwijnt naar de achtergrond. Verklaringen sluiten steeds beter aan op de interne logica van het systeem, maar steeds minder op de wereld daarbuiten. Morele oordelen vullen geleidelijk de ruimte die ooit werd ingenomen door analyse.
In delen van het Europese politieke debat is dat patroon steeds duidelijker zichtbaar.
In economische en geopolitieke discussies duikt steeds dezelfde reflex op: externe factoren worden naar voren geschoven als belangrijkste verklaring, terwijl Europa’s eigen keuzes, vertragingen en structurele ontwikkelingen naar de achtergrond verdwijnen.
Handelstekorten worden verklaard door het gedrag van anderen, niet door decennia van Europese consumptie-, investerings- en productiepatronen. Industriële achteruitgang wordt toegeschreven aan buitenlandse concurrentie, niet aan jarenlange de-industrialisatie en uitbesteding. Strategische kwetsbaarheid verschijnt vaak als een externe schok, terwijl de invloed van opeengestapelde politieke en economische keuzes minder aandacht krijgt.
Lange tijd werkte deze benadering zonder grote gevolgen. Zij ontstond in een periode van relatieve welvaart, geopolitieke stabiliteit en Europese dominantie in het internationale narratief. Maar overgangsperiodes zijn minder vergevingsgezind dan stabiele tijden.
Vandaag verschuiven economische macht, technologische capaciteit, industriële productie en geopolitieke invloed in hoog tempo. Juist dan wordt het vermogen om oorzaken helder te analyseren belangrijker, niet minder belangrijk. Toch verschuift het debat steeds vaker richting verklaringen waarin de verantwoordelijkheid vooral buiten Europa wordt gezocht.
Wat ooit een impliciete aanname was, wordt steeds vaker expliciet uitgesproken.
Het refrein is bekend: Niet Wij.
“Dat zijn geen waardeoordelen. Het zijn structurele constateringen.”
Nergens wordt deze reflex vandaag duidelijker zichtbaar dan in het Europese debat over China.
Het Europese debat over industriebeleid draait steeds vaker om begrippen als subsidies, overcapaciteit en oneerlijke concurrentie. Veel minder aandacht gaat uit naar Europa’s eigen structurele keuzes: de verplaatsing van productie, het regulatoire klimaat, kapitaalallocatie en de afhankelijkheid van goedkope import die daaruit mede is voortgekomen.
Hetzelfde geldt voor handelstekorten. Die worden vaak gezien als het gevolg van externe verstoring, terwijl zij mede voortkomen uit decennia van investeringskeuzes, de inrichting van mondiale productieketens en consumptiepatronen waarin Europese bedrijven, consumenten en beleidsmakers zelf een actieve rol hebben gespeeld.
Ook in het technologiedebat wordt de discussie vaak vernauwd tot intellectuele-eigendomsrechten en oneerlijke concurrentie. Nauwelijks aandacht gaat daarbij uit naar de omvang, snelheid en samenhang van China’s technologische ontwikkeling.
Maar het landschap van innovatie, techniek en onderzoek ziet er inmiddels fundamenteel anders uit. Volgens het Australian Strategic Policy Institute loopt China voorop in 69 van de 74 kritieke technologieën die het instituut volgt. Ook op academisch terrein zijn de verhoudingen ingrijpend verschoven: in de Nature Index 2026 Research Leaders bevinden negen van de tien hoogst gerangschikte universiteiten en onderzoeksinstituten ter wereld. Strategische kwetsbaarheid verschijnt vaak als een externe schok, terwijl de invloed van opeengestapelde politieke en economische keuzes in China, minder aandacht krijgt. Het land is wereldwijd koploper in internationale patentaanvragen via de WIPO. Deze ontwikkelingen komen samen in industriële ecosystemen waarin onderzoek, productie, toeleveringsketens, technisch talent en grootschalige toepassing nauw geïntegreerd zijn.
Deze ontwikkelingen zijn niet uit het niets gekomen. China’s industriële en technologische opkomst voltrekt zich al jaren in het volle zicht van de wereld. Deze opkomst wordt niet alleen gedreven door nationaal beleid, maar ook door lokaal bestuur, ondernemerschap, investeringen, innovatie en een uitzonderlijk vermogen om nieuwe technologieën snel op te schalen en toe te passen. Initiatieven als Made in China 2025 werden meer dan tien jaar geleden aangekondigd en uitvoerig besproken. Dat vandaag in Europa wordt gesproken over een ‘China Shock 2.0’ zegt daarom mogelijk meer over Europa’s vermogen en bereidheid om structurele veranderingen tijdig te onderkennen en erop te anticiperen dan over de snelheid van China’s opkomst.
Dat zijn geen waardeoordelen. Het zijn structurele constateringen.
De vraag is niet of Europese zorgen ongegrond zijn. Veel daarvan zijn reëel en omvangrijk. De vraag is waarom de verklaring zo vaak selectief blijft: externe oorzaken worden uitvergroot, terwijl eigen beleid en structurele kwetsbaarheden nauwelijks dezelfde aandacht krijgen.
De ambities van Europa’s energietransitie illustreren dit duidelijk. Nog niet zo lang geleden lagen de uitdagingen in het ontwikkelen van hernieuwbare energie, batterijopslag en elektrificatie, het beheersbaar houden van de kosten en het betaalbaar maken van de transitie voor samenleving en industrie. China’s industriële ontwikkeling in deze sectoren heeft hier substantieel toe bijgedragen door technologische innovatie, productiecapaciteit en grootschalige toepassing te versnellen.
Diezelfde ontwikkeling wordt nu echter vrijwel uitsluitend beschreven in termen van subsidies en overcapaciteit, waardoor de ambities van de energietransitie en de onderlinge afhankelijkheid die deze mede mogelijk maakt minder leidend zijn geworden in het debat.
Tegelijkertijd blijven grote Europese bedrijven fors investeren in China. Niet alleen vanwege de omvang van de markt, maar vooral vanwege de geïntegreerde industriële ecosystemen, verweven toeleveringsketens, de beschikbaarheid van technisch talent en de capaciteit om innovatie op grote schaal toe te passen. Voor deze multinationals is China daarmee allang meer dan een afzetmarkt: het is een bepalend knooppunt in de toekomstige mondiale industriële ontwikkeling.
Dit zijn geen tegenstrijdigheden. Het zijn de logische uitkomsten van een werkelijkheid die complexer is dan de verklaringen die ervoor worden gegeven.
Dit patroon beperkt zich bovendien niet tot economie en industrie. Ook in geopolitieke crises en internationale conflicten wordt verantwoordelijkheid vaak buiten Europa gezocht: externe actoren worden aangewezen als primaire oorzaak, terwijl Europa’s eigen rol in het ontstaan van de omstandigheden naar de achtergrond verdwijnt. Ook binnenlandse politieke en bestuurlijke vraagstukken worden steeds vaker doorgeschoven naar externe experts, consultants en procedurele kaders, waardoor de afstand tussen besluitvorming en verantwoordelijkheid groeit.
Wat in het politieke debat overblijft, is een samenhangend ‘Niet Wij’-verhaal, dat evenveel wordt bepaald door wat het weglaat als door wat het verklaart.
“verklaringen waarin de verantwoordelijkheid vooral buiten Europa wordt gelegd”
Deze manier van verklaren blijft niet beperkt tot het interne Europese debat. Zij beïnvloedt ook steeds meer hoe Europa buiten zijn eigen grenzen wordt waargenomen.
Buiten Europa gaat de discussie meestal niet over een verschil in feiten, maar over de interpretatie ervan. De herstructurering van industriële capaciteit, de energietransitie, technologische concurrentie en verschuivende handelsstromen worden wereldwijd onderkend. Ook geopolitieke spanningen en conflicten in verschillende regio’s worden wereldwijd ervaren en beoordeeld. Het verschil zit vooral in de vraag waar oorzaken worden gezocht — en daarmee waar verantwoordelijkheid wordt toegewezen.
Daardoor ontstaat buiten Europa steeds vaker het beeld dat het Europese beleidsdebat complexe ontwikkelingen vereenvoudigt tot verklaringen waarin de verantwoordelijkheid vooral buiten Europa wordt gelegd, terwijl de eigen keuzes en kwetsbaarheden minder kritisch worden bekeken. Dat spanningsveld wordt zichtbaar wanneer beleidsreacties moeilijk te verenigen zijn met Europa’s eigen ambities op het gebied van weerbaarheid, concurrentiekracht en strategische autonomie.
Juist hier raakt de kritiek die in de ondertitel wordt verwoord: dat Europa door zichzelf consequent buiten de analyse van oorzaken te plaatsen niet alleen een selectief beeld van de werkelijkheid creëert, maar ook de intelligentie van anderen tart.
De formulering in de ondertitel is ontleend aan een opmerking van de Singaporese diplomaat Kishore Mahbubani. In een interview (zie video onderaan) wees hij op het herhaaldelijke gebruik van het woord “unprovoked” (“onuitgelokt”) in het Europese discours rond de Russische invasie van Oekraïne. Hoewel de meeste landen de invasie hebben veroordeeld, stelde hij dat het consequent benadrukken van het woord “unprovoked” in grote delen van de wereld wordt ervaren als een poging om de causaliteit te vernauwen door bredere historische en geopolitieke omstandigheden — en daarmee ook bepaalde verantwoordelijkheden — buiten beschouwing te laten. In zijn woorden: “an insult to the intelligence of the rest of the world”.
Dit betekent niet dat de verantwoordelijkheid voor de invasie bij Rusland wordt weggenomen, noch dat de aanval wordt gerechtvaardigd. Het raakt aan een ander onderscheid: het verschil tussen moreel oordeel en causale verklaring.
In bredere zin komt deze verklaringswijze steeds vaker naar voren in Europese debatten. Handelsconflicten, technologische concurrentie, industriële rivaliteit en geopolitieke spanningen worden vaak benaderd vanuit kaders die vooral gericht zijn op het aanwijzen van externe verantwoordelijken, eerder dan op het volledig begrijpen van de onderliggende dynamiek. Vanuit het perspectief van veel landen buiten Europa ontstaat daardoor het beeld dat causaliteit selectief wordt toegepast, waardoor beleidskeuzes ontstaan waarvan de bredere strategische gevolgen — zowel binnenlands als geopolitiek — onvoldoende worden meegewogen.
Die perceptie doet ertoe. Niet omdat anderen per definitie gelijk hebben, maar omdat effectieve strategie afhankelijk is van het vermogen om te begrijpen hoe eigen handelen, beleid en narratieven buiten de eigen politieke en intellectuele omgeving worden geïnterpreteerd.
Terwijl Europa de industriële en economische opkomst van China steeds vaker beschrijft als de “China Shock 2.0”, zien veel landen buiten Europa deze ontwikkeling niet als een ‘plotselinge verstoring’, maar als een langdurige verschuiving die al jaren deel uitmaakt van hun eigen economische en industriële ontwikkeling, beleidsvorming en strategische planning.
Voor sommigen ligt de grotere schok daarom elders: in een Europa Shock — waarin vereenvoudigde verklaringskaders over oorzaken en een sterke nadruk op externe verantwoordelijkheid steeds meer richting geven aan Europees beleid. Met onbedoelde en soms ongewenste gevolgen die economische en industriële weerbaarheid, stabiliteit en veiligheid ondermijnen, binnen Europa maar ook daarbuiten.
“morele oordelen kunnen geen vervanging zijn voor analyse en diagnose”
Su Shi’s waarschuwing ging nooit over bergen.
Het probleem was niet dat degenen binnen de berg niets zagen. Het probleem was dat hun blik werd bepaald door de positie waarin zij zich bevonden.
Ook huidige politieke systemen in tijden van grote verandering lopen tegen deze beperking aan. Wanneer de wereld verandert, lopen verklaringen vaak achter op de werkelijkheid. Naarmate vraagstukken complexer worden, ontstaat de verleiding om onzekerheid te vervangen door morele helderheid. Er worden verantwoordelijken aangewezen, grenzen getrokken en complexe ontwikkelingen teruggebracht tot overzichtelijke narratieven.
Maar morele oordelen kunnen geen vervanging zijn voor analyse en diagnose. Zij kunnen richting geven aan beleid, maar lossen structurele problemen niet op.
De recente discussie over China laat dit dilemma duidelijk zien. In Europese politieke en beleidsdebatten worden economische en industriële problemen in belangrijke mate toegeschreven aan het handelen van de andere partij: Niet Wij. China ondermijnt het internationale systeem, China subsidieert, China creëert overcapaciteit, China omzeilt handelsafspraken, China steelt.
De Europese Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid Kaja Kallas gebruikte recentelijk de metafoor van kanker om het Chinese economische model als bedreiging voor de Europese economie te beschrijven.
Juist hier wordt het vraagstuk interessant. Het gaat niet om de vraag of externe druk bestaat. Die bestaat. Maar wanneer een probleem als een ziekte wordt beschreven, begint een goede diagnose met het medisch dossier van de patiënt — niet alleen met de omstandigheden buiten de patiënt. De relevante vraag is daarom of Europa’s eigen economische, industriële en politieke weerbaarheid met dezelfde kritische aandacht wordt onderzocht als de externe druk waarmee het wordt geconfronteerd. De manier waarop die druk uitwerkt, wordt immers mede bepaald door eigen structuren, instituties en beleidskeuzes die zich over langere tijd hebben ontwikkeld.
Daar ligt de kern van het probleem. Wanneer verklaringen structureel buiten de eigen invloedssfeer worden gezocht, vermindert het vermogen om onderscheid te maken tussen externe druk en interne kwetsbaarheid, tussen symptomen en oorzaken.
Dat heeft concrete gevolgen, zeker in deze tijd. De wereld verandert snel ongeacht de manier waarop zij wordt geïnterpreteerd. Tussen 2008 en 2024 daalde het aandeel van de Europese Unie in het mondiale bbp van ongeveer een kwart naar minder dan een vijfde. Tegelijkertijd vertellen zulke cijfers niet het hele verhaal. Europa beschikt nog altijd over een sterke industriële basis en een hogere industriële productie per hoofd van de bevolking dan China. Dat maakt het debat over “overcapaciteit” complexer dan vaak wordt voorgesteld en vraagt om meer aandacht voor historische ontwikkeling, productiestructuren en de opbouw van industriële ecosystemen.
De uitdaging voor Europa is daarom niet eenvoudigweg achteruitgang, maar aanpassing aan een wereld waarin economische en technologische capaciteit breder wordt verdeeld. Maar aanpassing begint met een juiste analyse van de werkelijkheid.
De gevolgen reiken verder dan economie. Wanneer anderen voornamelijk worden gezien als bron van bedreiging of verstoring, neemt de bereidheid af om hun belangen, motieven en perspectieven als serieus te zien. Dat vergroot het risico op wantrouwen, misverstanden en strategische fouten in beleidsvorming.
Binnen zo’n kader is er ook weinig ruimte voor bijvoorbeeld de mogelijkheid dat China belang kan hebben bij een stabiel en economisch sterk Europa — niet uit idealisme, maar omdat dit zou kunnen aansluiten bij Chinese belangen op het gebied van stabiliteit, groei en ontwikkeling. Echter wanneer dergelijke denkpatronen nauwelijks meer onderdeel mogen zijn van het debat, verschuift beleid sneller richting confrontatie: van economische druk en technologische ontkoppeling tot militarisering en bredere strategische rivaliteit.
De uitdaging voor Europa ligt daarom niet in een gebrek aan politieke overtuiging of ambitie. De vraag is of beleid voldoende gebaseerd blijft op een brede analyse van oorzaken, belangen en mogelijke gevolgen.
In het Chinese politieke denken bestaat een onderscheid tussen 治标 (zhì biāo) — het behandelen van symptomen — en 治本 (zhì běn) — het aanpakken van onderliggende oorzaken. Het is een onderscheid dat ook in de traditionele Chinese geneeskunde een belangrijke rol speelt. De gedachte erachter is eenvoudig: wie alleen symptomen bestrijdt, verandert de onderliggende dynamiek niet.
Staatsmanschap begint met het begrijpen van de werkelijkheid zoals deze zich voordoet. Politiek heeft echter vaak de neiging uit te gaan van de werkelijkheid zoals men die graag zou zien.
De vraag voor Europa is daarom niet of externe uitdagingen bestaan. Dat doen zij.
De vraag is of Europa zijn eigen positie kan blijven herkennen binnen de krachten die het probeert te verklaren — en daarmee ook zijn eigen aandeel in de werkelijkheid die het probeert te begrijpen.
Of, in de woorden van Su Shi: of het kan zien waar de berg eindigt en waar zijn eigen spiegelbeeld begint.
Wij nemen dit artikel over als opiniestuk. Het werd oorspronkelijk op 18 juni gepubliceerd op China21 Beschouwing
De auteurs zijn Gordon Dumoulin en Thore Vestby
Dit essay is ook in het Engels te lezen in China21 Journal.
*Standpunten in opiniestuken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur.
