Wie het klimaatdebat in Europa volgt, hoort steeds hetzelfde verhaal. ‘Europa offert zijn industrie op voor het klimaat, terwijl China onder het mom van vergroening vooral zijn economische macht uitbreidt’. Ook De Standaard herhaalt die redenering in het opiniestuk “We zijn bij de beste van de klimaatklas, maar nu zitten we met bosbranden en China dat profiteert.” Alleen botst die analyse steeds harder met de feiten.
Dit is de licht herwerkte commentaar die Ng Sauw Tjhoi en Frank Willems naar de redactie van De Standaard stuurden.
Standpunten in opiniestukken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur(s)

Het artikel laat Professor Wim Schoutens stellen dat “de groene revolutie van China vooral dient om de eigen industriële macht te versterken” en dat voor Beijing decarbonisatie niet het echte doel is; het gaat enkel om diversificatie van energiebronnen. Dat klinkt aannemelijk, tot je het nieuwe Chinese vijfjarenplan voor groene industriële ontwikkeling leest.
Dat plan verplicht de industrie op de eerste plaats om meer economische waarde te creëren met aanzienlijk minder energie. Tegen 2030 moet het energieverbruik per euro industriële productie met meer dan tien procent zijn gedaald. Dat betekent niet minder groei, maar efficiëntere fabrieken, lagere energiekosten en een hogere productiviteit. Klimaatbeleid wordt zo een hefboom voor industriële modernisering.
Het blijft daar niet bij. China voert vijfhonderd nieuwe of aangepaste industriële standaarden in die bepalen hoe fabrieken energiezuiniger moeten produceren, grondstoffen efficiënter moeten gebruiken, emissies moeten verminderen en nieuwe technologie sneller moeten invoeren. Dat zijn geen administratieve regels, maar technische normen die rechtstreeks ingrijpen op de productieprocessen van de industrie.
Het plan versnelt bovendien de inzet koolstofvrije energie in de vorm van groene waterstof in de staal-, chemie- en transportsector. Het bouwt een nationaal systeem uit voor de recyclage van batterijen van elektrische voertuigen en laat nieuwe AI-datacentra bouwen in provincies als Binnen-Mongolië, Qinghai en Gansu, waar overvloedige wind- en zonne-energie beschikbaar zijn. Zo wordt de explosieve groei van artificiële intelligentie rechtstreeks gekoppeld aan goedkope hernieuwbare elektriciteit.
Zijn dat maatregelen van een regering die decarbonisatie niet ernstig neemt? Of is hier een regering aan het werk die klimaatbeleid gebruikt om haar industrie tegelijk efficiënter, innovatiever en competitiever te maken?
Hier ligt precies de blinde vlek van het Europese debat. Europa behandelt klimaatbeleid nog te vaak als tegengesteld aan industriebeleid. China behandelt het als een vorm van industriebeleid.
Volgens professor Schoutens blijkt het gebrek aan echte interesse voor decarbonisatie ook uit het feit dat China nog kolencentrales bouwt. Natuurlijk bouwt China nog kolencentrales, maar laat je niet vangen door een momentopname.Het voorbije kwartaal is het aandeel van steenkool in de energievoorziening gedaald tot onder 50 % en dat van hernieuwbare energie gestegen tot 40 % zo blijkt uit de meest recente cijfers van het Chinese Nationaal Energiebestuur (NEA). Het is de eerste keer dat het aandeel van steenkool in de Chinese elektriciteitsproductie over een periode van zes maanden onder de 50 % was gedaald.Waarom blijft het Europese debat bijna uitsluitend focussen op China’s steenkoolproductie?
China beschikt vandaag over meer dan 2,3 terawatt aan geïnstalleerde hernieuwbare energiecapaciteit, veruit de grootste ter wereld. Het is de grootste producent van zonnepanelen, windturbines, batterijen en elektrische voertuigen en domineert een groot deel van de mondiale waardeketen voor de energietransitie. De vraag is daarom niet hoeveel kolencentrales China vandaag nog bouwt, maar welke richting zijn energiesysteem uitgaat. Daarover laat het nieuwe vijfjarenplan weinig twijfel bestaan. De gesofistikeerde kolencentrales, die vandaag nog worden gebouwd, moeten zo snel mogelijk enkel maar dienen als backup voor het basisnet van groene energie.
Nog problematischer is de stelling dat Europa de economische prijs van klimaatbeleid betaalt, terwijl China daarvan profiteert. “Het Chinese staatskapitalisme verplettert de Europese industrie”, aldus de auteur van het artikel. Dat draait oorzaak en gevolg volledig om.
China profiteert niet van de Europese Green Deal. China profiteert van twintig jaar consequente industriepolitiek. Terwijl Europa strategische productiecapaciteit liet verdwijnen, zich verloor in regelgeving en emissiehandel waarvan de grootste uitstoters profiteerden zonder echt te vernieuwen, en steeds afhankelijker werd van ingevoerde technologie, investeerde China onafgebroken in onderzoek, hoogspanningsnetten, industriële clusters, batterijproductie, kritieke grondstoffen en geavanceerde maakindustrie. Europa stimuleerde vooral de vraag. China bouwde aan het aanbod.
Dat verklaart waarom Chinese ondernemingen vandaag wereldwijd de toon zetten in zonnepanelen, batterijen, elektrische voertuigen, energieopslag en steeds meer hoogtechnologische sectoren. Niet omdat China de klimaattransitie misbruikt, maar omdat het al vroeg inzag dat de energietransitie tegelijk een nieuwe industriële revolutie zou worden.
Terecht erkennen verschillende geïnterviewden in De Standaard dat klimaatbeleid veel sterker aan economisch beleid moet worden gekoppeld. Precies dat doet China al jaren. Waterstof is er geen groene hobby, maar industriepolitiek. Batterijrecyclage is tegelijk grondstoffenbeleid. Groene fabrieken zijn geen ideologisch project, maar een instrument om de productiviteit te verhogen, de energiekosten te verlagen en de exportpositie te versterken. Klimaatbeleid is geen rem op de economie, maar een motor van economische ontwikkeling.
Misschien verklaart dat ook waarom het begrip “staatskapitalisme” telkens weer opduikt zodra China economisch succes boekt. Het is een gemakkelijk etiket, maar een slechte analyse.
De vraag is daarom niet of China kapitalistische elementen kent – die heeft het onmiskenbaar. De vraag is welke logica uiteindelijk de economie aanstuurt, de winst van grote bedrijven op korte termijn of het welzijn van een gemeenschap op langere termijn. In de meeste westerse economieën bepaalt de markt grotendeels de richting van de staat. In China bepaalt de staat in belangrijke mate de richting van de markt. Dat fundamentele verschil verdwijnt achter het etiket “staatskapitalisme”, dat meer een politiek frame is dan een nauwkeurige beschrijving van de Chinese economische werkelijkheid.
