Carlos Martinez (opinie*)
In een recent artikel voor het progressieve magazine Counterpunch beschuldigt Joshua Frank China van ‘groen economisch imperialisme’ in Afrika en Latijns-Amerika. Ziehier de reactie van Carlos Martinez, Friends of Socialist China. Wij nemen ze over als opiniestuk.

Martinez laat zien dat het betoog berust op een reeks inhoudelijke verdraaiingen – over de energietransitie van China, zijn mijnbouwactiviteiten, zijn kredietverstrekkingspraktijken en de betekenis van ‘imperialisme’ zelf. Wat de bedoelingen van de auteur ook mogen zijn, zijn artikel zal enkel linkse instemming creëren voor de door de VS geleide Nieuwe Koude Oorlog tegen China.
In een recent artikel voor Counterpunch haalt Joshua Frank een inmiddels bekende beschuldiging van stal: China houdt zich bezig met ‘groen economisch imperialisme’ in het Zuiden. Het plundert kritieke mineralen om zijn hernieuwbare-energie-industrieën van brandstof te voorzien en het ondersteunt afhankelijke regimes met door grondstoffen gedekte leningen. De Chinese betrokkenheid bij het Zuiden, concludeert Frank, is ‘economisch imperialisme (dat sterk geworteld is in koloniaal beleid)’.
Dit is een opmerkelijk actuele herhaling van het argument dat de Franse president Emmanuel Macron op 11 mei naar voren bracht op de Africa Forward Summit in Nairobi. Macron beschuldigde China ervan in heel Afrika te opereren volgens een ‘roofzuchtige logica’ en ‘afhankelijkheden te creëren’ door de verwerking van kritieke mineralen op Chinese bodem te bestendigen.
Dat zou tot nadenken moeten stemmen. Zoals we eerder hebben opgemerkt op Friends of Socialist China, deed Macron zijn uitspraken in Nairobi tijdens een top die expliciet was bedoeld om ‘de Franse invloed in Afrika te herstellen’ na de vernederende verdrijving van Frankrijk uit Mali, Burkina Faso en Niger. Hij sprak als hoofd van een voormalige koloniale macht die een munteenheid controleert, de CFA-frank, die wordt gebruikt om deviezenreserves van 14 Afrikaanse staten over te hevelen naar een Franse schatkistrekening. Wanneer het hoofd van een daadwerkelijk bestaande neokoloniale entiteit de Chinese ‘roofzuchtige logica’ aan de kaak stelt, is het geen slecht idee voor linkse mensen om hun huiswerk te doen.
De kolenkwakkel
Joshua Frank begint met de opmerking dat China ‘nog steeds sneller kolencentrales bouwt dan enig ander land’ en dat ‘luchtvervuiling in China jaarlijks 2 miljoen mensen doodt’. Beide beweringen zijn inhoudelijk misleidend.
De nieuwe kolencentrales in China zijn overwegend geavanceerde superkritische of ultra-superkritische installaties – veel efficiënter en schoner dan de verouderde centrales die nog in de VS in bedrijf zijn. De meeste ervan zijn expliciet gepland als reservecapaciteit voor de variabele opwekking van zonne- en windenergie, met een typische verhouding van ongeveer 1 GW aan kolen voor elke 6 GW aan nieuwe hernieuwbare energie.
Het aandeel van steenkool in de Chinese elektriciteitsmix is gedaald van ongeveer 80 procent aan het begin van de eeuw tot ongeveer 50 procent vandaag. De capaciteit van hernieuwbare energiebronnen overtrof die van steenkool voor het eerst in 2023. De uitstoot van broeikasgassen in China bereikte waarschijnlijk een piek in datzelfde jaar, zeven jaar vóór de officiële doelstelling. Volgens de Ember China Energy Transition Review 2025 is China de motor achter de wereldwijde transitie weg van fossiele brandstoffen.
Wat de luchtkwaliteit betreft, zijn de PM2,5-concentraties in Peking sinds 2013 met ongeveer 70 procent gedaald. Het cijfer van 2 miljoen dat Frank noemt, is afkomstig van oudere gegevens en van een statische methodologie die het verbeteringstraject negeert.
Een eerlijke benadering van China’s milieubalans moet ook deze feiten in rekening brengen.
Groen imperialisme?
Joshua Franks belangrijkste beschuldiging is dat China’s ‘kritieke delfstofactiviteiten’ in Afrika en Latijns-Amerika neerkomen op ‘flagrante kapitalistische (in het geval van China: door de staat geleide) uitbuiting’. Zijn bewijs bestaat uit cijfers over marktaandelen: 90 procent van het lithium in Zimbabwe, 70 procent van het koper en kobalt in de DRC, en een bijna totale dominantie in de verwerking.
Deze cijfers beschrijven handels- en investeringsrelaties. Ze beschrijven geen imperialisme. Van imperialisme is er,volgens de meest elementaire marxistische definitie, pas sprake als er overheersing en dwang wordt uitgeoefend – voor de politieke onderwerping van perifere economieën aan de eisen van een heersende klasse in het moederland. Geen van Franks beweringen toont iets van die aard aan.
Wat ze wel aantonen, is dat Afrikaanse (en Latijns-Amerikaanse, Aziatische, Caribische en Pacifische) regeringen er in aanzienlijke aantallen voor kiezen om zaken te doen met Chinese staatsbedrijven in plaats van met grote westerse mijnbouwbedrijven. Ze doen dat omdat Chinese investeringen en leningen niet gepaard gaan met IMF-achtige voorwaarden voor structurele aanpassingen, omdat er geen politieke eisen worden gesteld en er evenmin sprake is van enige vorm van dwangmaatregelen. Jason Hickel heeft hier volkomen gelijk in, ook al vindt Frank dat hij ‘de plank heeft misgeslagen’.
Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat China niet simpelweg mineralen exporteert en probeert Afrikaanse landen permanent onderaan de waardeketen te houden. Het land ondersteunt juist actief en positief de inspanningen van Afrikaanse landen om hun raffinage- en verwerkingscapaciteiten te ontwikkelen en zo toegevoegde waarde te realiseren. Zo heeft de Chinese Sinomine Resource Group onlangs toegezegd een 400 miljoen dollar kostende lithiumsulfaatverwerkingsfabriek in Zimbabwe te bouwen. Die samenwerking past naadloos in de strategie van de Zimbabwaanse regering om een einde te maken aan de export van onbewerkt lithium.
De Chinees-Afrikaanse relatie kent geen staatsgrepen, geen militaire interventies, geen proxy-oorlogen, geen moorden, geen eenzijdige sancties, geen extractieve valuta-afspraken en geen politieke voorwaarden. Op een continent waar 600 miljoen mensen nog steeds geen betrouwbare elektriciteit hebben, financierden Chinese staatsbanken het grootste deel van de nieuwe stroomopwekkingscapaciteit van Afrika. Meer dan 40 procent van de Chinese leningen aan Afrika ging naar stroomopwekking en -transmissie. China bouwde de eerste lightrail van West-Afrika (in Lagos), de eerste volledig geëlektrificeerde grensoverschrijdende spoorlijn van Afrika (Ethiopië-Djibouti) en het nieuwe hoofdkwartier van de Afrikaanse Unie. In een artikel in de New York Times van december 2025 werd opgemerkt dat ‘goedkope zonne-energie levens en economieën in heel Afrika transformeert’. Chinese medische teams zijn al meer dan zestig jaar actief in Afrika. Op 1 mei 2026 voerde China onvoorwaardelijke tariefvrije toegang in tot zijn markt van 1,4 miljard mensen voor alle 53 Afrikaanse landen waarmee het diplomatieke betrekkingen onderhoudt.
Eeuwigdurende schuld?
De bewering van Joshua Frank dat Chinese leningen ‘door grondstoffen gedekt’ worden en daarom ‘een nieuwe vorm van eeuwigdurende schuld’ opbouwen, is het onderzoeken waard. Door grondstoffen gedekte kredietverlening is een standaardinstrument in grondstofrijke economieën. Het wordt al decennialang door westerse banken en multilaterale kredietinstellingen gebruikt. Wat Chinese kredietverlening ervan onderscheidt, is juist dat er geen macro-economische beleidsvoorwaarden aan worden gekoppeld, dat de rentetarieven aanzienlijk lager zijn, dat er meer flexibiliteit is op het gebied van schuldverlichting en herstructurering dan bij westerse tegenhangers, en dat er daadwerkelijk productieve infrastructuur wordt gefinancierd in plaats van de uitverkoop van activa die zo kenmerkend was voor het tijdperk van de structurele aanpassingsplannen.
Deborah Bräutigam, die het China-Africa Research Initiative aan de Johns Hopkins SAIS leidt en het meest gedetailleerde empirische onderzoek op dit gebied heeft verricht, heeft het verhaal van de ‘schuldenval’ herhaaldelijk ontkracht. Ze deed dat onder meer, definitief, in het geval van de haven van Hambantota in Sri Lanka, waarrond de grondleggende mythe van het genre ontstond.
Wie profiteert van de aanval van Counterpunch op China?
Er valt onvermijdelijk veel te bekritiseren in elke economische relatie tussen een grote industriële macht en grondstoffenleverende landen. De arbeidsomstandigheden bij sommige door China geleide projecten in Afrika, vooral die van particuliere bedrijven, laten ongetwijfeld veel te wensen over. Ze gaan echter de goede kant op dankzij overheidsingrijpen aan beide kanten. De milieu-effecten van mijnbouw zijn reëel, waar ze ook plaatsvinden. Maar dergelijke kwesties mogen niet worden verward met imperialisme.
De functie van Joshua Franks betoog is, ongeacht de intentie ervan, het versterken van een anti-Chinese propagandaoorlog die door de Amerikaanse heersende klasse wordt gevoerd. Het creëert linkse instemming voor een Nieuwe Koude Oorlog, die juist tot doel heeft het Zuiden afhankelijk te houden van het Westen.
Vertaling: Jan Reyniers
* Standpunten in opiniestukken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur.
