Wat als de volgende economische crisis niet lijkt op die van 2008, maar de structurele zwaktes van het westerse economische model veel dieper blootlegt? En wat voor gevolgen heeft dat voor China? Volgens de Franse econoom Frédéric Lordon, die al jaren de instabiliteit van het financiële kapitalisme analyseert, bereikt de westerse financiële wereld een gevaarlijk kantelpunt. Eerdere crisissen – zoals de internetzeepbel van 2000 en de subprimecrisis van 2008 – bleven grotendeels beperkt tot specifieke marktsegmenten, maar vandaag kunnen verschillende kwetsbaarheden tegelijk samenkomen. Wenkt de afgrond?

Kevin Warsh, voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve sinds 22 mei 2026, op een persconferentie in Washington, D.C. (17 juni 2026). (Foto: Xinhua) Disclaimer.
Een opinie van Jan Reyniers
Standpunten in opiniestukken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur
De vraag is niet alleen wat zo’n scenario kan betekenen voor de Verenigde Staten en Europa, maar ook welke positie China daarbij zou innemen. Ook de Chinese economie zou zware klappen krijgen wanneer haar belangrijkste exportmarkten in een diepe recessie belanden. Maar Beijing beschikt over troeven die het Westen de voorbije decennia verwaarloosde: een langetermijnvisie op economische ontwikkeling en een uitzonderlijk brede industriële productiebasis. Juist daarom rijst de vraag of China, ondanks de onvermijdelijke schade, beter in staat is een deel van de mondiale economische activiteit overeind te houden.
De westerse Ouroboros
De kern van Lordons analyse, gepubliceerd in Le Monde diplomatique (mei 2026), ligt bij het schaduwbankieren, en meer bepaald bij de explosief gegroeide markt van het zogenaamde private credit.1 Die sector is de voorbije jaren steeds nauwer verweven geraakt met de Amerikaanse technologiesector en met de uitzonderlijk hoge verwachtingen rond artificiële intelligentie. Daarmee rijst de vraag of zich opnieuw een financiële zeepbel vormt die op barsten staat.
Volgens Lordon vertoont de financieringsstructuur van dat schaduwbankieren de kenmerken van een Ouroboros, de mythologische slang die haar eigen staart opeet. Technologiebedrijven, cloudproviders en private-kredietfondsen versterken elkaars waarderingen via wederzijdse investeringen, langlopende contracten en speculatieve verwachtingen over toekomstige winsten.
Het mechanisme werkt als volgt: een privaat kredietfonds financiert een AI-start-up. Die start-up sluist dat kapitaal meteen door naar een grote cloudprovider om rekenkracht in te kopen. De provider ziet zijn omzet stijgen, rapporteert denderende groeicijfers en belegt een deel van de winst opnieuw in het oorspronkelijke kredietfonds. Zo draait het geld in een gesloten circuit, zonder dat ook maar één tastbaar en winstgevend eindproduct voor de reële markt ontstaat. Deze papieren groei werkt als een vliegwiel: ze trekt institutionele beleggers aan – zoals pensioenfondsen en vermogensbeheerders – die lijden aan FOMO (Fear of Missing Out). Hun kapitaalinjecties stuwen de waarderingen verder op, waardoor nóg meer krediet kan worden verleend. Het systeem voedt zichzelf, maar zodra de AI-belofte niet snel genoeg wordt ingelost en één schakel hapert, breekt de cirkel.
Precies daarin schuilt het gevaar. De hoge waarderingen maken steeds agressievere kredietverlening mogelijk, ook aan ondernemingen die via het klassieke bankwezen moeilijk financiering vinden. Wanneer de verwachte winsten uitblijven of de financieringskosten hoog blijven, neemt de druk op die ondernemingen toe. Wanbetalingen worden talrijker, terwijl investeerders hun kapitaal vaak niet onmiddellijk kunnen terugtrekken omdat veel private-kredietfondsen contractuele uitstapbeperkingen hanteren. Zodra het vertrouwen omslaat, kan de liquiditeit snel opdrogen en dreigt een kredietcrisis die ook de reële economie bedreigt.
Dit interne financiële kaartenhuis staat niet op zichzelf; externe geopolitieke schokken kunnen de situatie exponentieel verergeren. Een escalatie rond strategische knooppunten zoals de Straat van Hormuz veroorzaakt niet alleen een acute olieschok, maar snijdt ook vitale toevoerlijnen van industriële grondstoffen door die onmisbaar zijn voor de westerse techsector.
Volgens Lordon is dat het gevolg van een fundamentele keuze: het Westen stelde decennialang financiële rendementen boven industriële weerbaarheid. Terwijl enorme kapitalen naar financiële producten, speculatieve activa en almaar hogere beurswaarderingen vloeiden, bleven investeringen in industrie, voorraden en grondstofzekerheid achter. De westerse economie werd daardoor steeds afhankelijker van financiële verwachtingen en steeds minder van tastbare productie.

Chinese en Keniaanse spoorwegmedewerkers op het onderhouds- en bedieningsterrein voor locomotieven in Nairobi. Ze vormen het getal ‘3000’ ter gelegenheid van 3.000 dagen veilige exploitatie van de standaardspoorlijn Mombasa–Nairobi. (Foto: Xinhua) Disclaimer.
Wanneer de kredietmachine stilvalt – en precies dat vreest Lordon – zal blijken hoe kwetsbaar economieën zijn waarvan de financiële sector veel sneller groeide dan hun productieve basis. Financiële markten kunnen immers niet duurzaam blijven functioneren zonder een reële economie die voldoende goederen, infrastructuur en productiecapaciteit voortbrengt.
De gevolgen van een financiële meltdown zouden bovendien veel verder reiken dan de financiële sector alleen. Wat begint als een kredietcrisis kan uitmonden in faillissementen, uitgestelde investeringen en bedrijfssluitingen. De werkloosheid zou fors kunnen oplopen, de koopkracht afnemen en de druk op sociale voorzieningen sterk toenemen. Voor miljoenen gezinnen in Europa en Noord-Amerika zou zo’n crisis geen abstract probleem van banken en beleggers zijn, maar een rechtstreekse aantasting van hun levensstandaard.
Ook China wordt erdoor getroffen
China zou aan de gevolgen van een dergelijke crisis niet ontsnappen. Als grootste exporteur ter wereld is China nauw verweven met de wereldeconomie. Een diepe recessie in de Verenigde Staten en Europa zou onvermijdelijk leiden tot een scherpe terugval van de buitenlandse vraag naar Chinese producten.
De Chinese economie is inmiddels echter minder exportafhankelijk dan tien jaar geleden. Volgens gegevens van de Wereldbank en het Chinese nationale statistiekbureau vertegenwoordigde de uitvoer van goederen en diensten aan het begin van deze eeuw nog ongeveer 35 à 36 procent van het bruto binnenlands product. Vandaag schommelt dat aandeel rond 19 à 20 procent. Ook de bijdrage van de netto-uitvoer aan de economische groei is de voorbije jaren aanzienlijk afgenomen. Beijing probeert die evolutie te versnellen met een ontwikkelingsmodel dat sterker inzet op de binnenlandse markt (de strategie van de ‘Dubbele Circulatie’). De Chinese binnenlandse vraag is daardoor een belangrijkere buffer geworden tegen externe schokken, al kan zij een ernstige terugval van de export nog lang niet volledig opvangen.
Daarnaast staat China zelf voor aanzienlijke structurele uitdagingen. De aanhoudende problemen in de vastgoedsector, de hoge schulden van lokale overheden, de vergrijzing van de bevolking en een binnenlandse consumptie die de ambities van Beijing moeizaam bijhoudt, beperken de economische veerkracht. Ook op energievlak blijft China, ondanks zijn indrukwekkende energietransitie, sterk afhankelijk van de invoer van olie en gas, waardoor mondiale logistieke schokken de fabrikagekosten rechtstreeks opdrijven.
Een financiële implosie in het Westen zou China dus zwaar raken, maar niet volledig ontwrichten. Er blijft een fundamenteel verschil in uitgangspositie. Terwijl het Westen zijn economische groei liet steunen op financiële activa, investeerde China gedurende dezelfde periode op ongeziene schaal in fabrieken, infrastructuur en productiecapaciteit. Anders gezegd: terwijl Wall Street steeds complexere financiële producten ontwikkelde, bouwde Beijing spoorwegen, havens en elektriciteitsnetten.
China’s voorbereiding op een postwesterse crisis
Beijing houdt al langer rekening met een wereld waarin de economische dominantie van het Westen geleidelijk afneemt. Die langetermijnoriëntatie vloeit voort uit de specifieke institutionele kenmerken van de Chinese socialistische markteconomie. In tegenstelling tot de meeste westerse economieën, waar investeringsbeslissingen grotendeels worden gedreven door kwartaalresultaten en kortetermijnrendementen, behoudt de Chinese staat een actieve, sturende rol.
Die sturing krijgt concreet vorm in de opeenvolgende vijfjarenplannen. Waar neoliberale economische benaderingen ervan uitgaan dat markten in hoofdzaak zelf zorgen voor een efficiënte allocatie van middelen, vertrekt het Chinese model vanuit de socialistische overtuiging dat de staat een actieve rol moet spelen in de ontwikkeling van sleutelsectoren. Critici wijzen op de risico’s van overinvesteringen en inefficiënte kapitaalverlening, maar de Chinese staat beschikt wel over de middelen om kapitaal te concentreren op doelstellingen waarvan het rendement zich pas na tien of twintig jaar uitbetaalt.
Studies van onder meer de Wereldbank, de OESO en MERICS wijzen erop dat deze consistente strategie China de grootste industriële basis ter wereld heeft opgeleverd. Het land bekleedt inmiddels een dominante positie in cruciale sectoren zoals batterijen, elektrische voertuigen, groene energie, chemie en de verwerking van zeldzame aardmetalen.
Op het vlak van energie en grondstoffen streeft China eveneens naar meer autonomie. Het bouwt strategische voorraden op en breidt transportroutes over land uit – zoals pijpleidingen vanuit Rusland en Centraal-Azië – om de afhankelijkheid van kwetsbare maritieme transportroutes te verminderen.
Hoewel deze aanpak de binnenlandse structurele problemen (de vastgoedcrisis, de vergrijzing…) niet oplost, geeft ze Beijing wel extra troeven. Dankzij staatsbanken en kapitaalcontroles beschikt de overheid over aanzienlijk meer mogelijkheden dan veel westerse regeringen om acute schokken op te vangen.
De wereldeconomie na een westerse implosie
Indien Lordons diagnose werkelijkheid wordt en het Westen wegzinkt in een diepe financieel-economische crisis, zou dat veel meer betekenen dan een regionale recessie. De mondiale vraag zou een zware klap krijgen. Dat betekent echter niet noodzakelijk dat de wereldeconomie volledig tot stilstand komt.
Het fundamentele verschil ligt in de geografische functiescheiding: het Westen is vandaag vooral het financiële zwaartepunt van de wereldeconomie, terwijl China is uitgegroeid tot haar belangrijkste productiecentrum. Financiële systemen kunnen ontwricht raken; de fysieke behoefte aan goederen, energie en industriële productie verdwijnt daardoor niet. Zelfs wanneer de westerse financiële architectuur ernstig zou disfunctioneren, blijft China beschikken over een uitzonderlijk omvangrijke industriële infrastructuur, logistieke netwerken en geïntegreerde productieketens.
Dit alles suggereert niet dat China het Westen zomaar zal vervangen als de nieuwe economische hegemoon. Wel toont het aan dat China over de materiële capaciteit beschikt om een belangrijk deel van de wereldeconomie draaiende te houden wanneer het traditionele financiële centrum zwaar wordt ontwricht. Het land is niet immuun voor een crisis, maar Beijings economische structuur is beter bestand tegen een dergelijke systeemschok.

Een lokale bouwvakker aan het werk op de bouwplaats van het Fumba-havenproject in Zanzibar, Tanzania, op 26 juni 2026. Het Fumba-havenproject is een katalysator voor de lokale ontwikkeling en wordt uitgevoerd door China Railway Jianchang Engineering Company (CRJE). (Foto: Xinhua) Disclaimer.
Nieuwe kansen voor het mondiale Zuiden
Voor veel landen in het mondiale Zuiden, en in het bijzonder voor Afrika, opent deze verschuiving strategische deuren. Een nieuwe wereldorde waarin materiële productie zwaarder weegt dan westerse financiële waarderingen, biedt deze regio’s de kans de asymmetrische afhankelijkheid van westerse kapitaalmarkten te doorbreken en, met Chinese steun, een eigen industriebeleid uit te bouwen op basis van win-winprincipes. Waar de crisis van 2008 de westerse kredietverlening aan het Afrikaanse continent grotendeels drooglegde, kan een postwesterse crisis die overgang naar een nieuw, productiegedreven partnerschap alleen maar versnellen.
De paradox is dat een ernstige financiële crisis in het Westen niet het einde van de globalisering hoeft te betekenen. Waarschijnlijker is dat de globalisering een andere institutionele en geografische vorm krijgt. Het zwaartepunt verschuift dan naar de regio die de voorbije decennia het meest consequent in haar industriële fundament investeerde. Dat maakt China niet onkwetsbaar, maar het verklaart wel waarom Beijings economische basis ook tijdens een zware mondiale systeemcrisis stand kan houden.
Bovendien zou zo’n crisis diepe politieke verschuivingen veroorzaken. De geschiedenis leert immers dat grote economische schokken de bestaande machtsverhoudingen ingrijpend hertekenen. Denk maar aan de opkomst van de verzorgingsstaat en de alternatieve socialistische en communistische systemen na de Tweede Wereldoorlog. Welke modellen er dit keer uit de as zullen herrijzen, valt niet te voorspellen, maar dát de bestaande orde zal verschuiven naar meer socialistische modellen lijkt onvermijdelijk.
Ook al delen lang niet alle economen Lordons sombere vooruitzichten, zijn analyse roept een urgente vraag op: hoe duurzaam is een economisch model dat steeds sterker steunt op financiële activa en relatief minder op industriële productie? Indien die vraag de komende jaren urgenter wordt, kan China – juist door zijn blijvende nadruk op productiecapaciteit – een nog centralere rol spelen in de organisatie van de wereldeconomie. Voor veel landen in het mondiale Zuiden lijkt zo’n herschikking eerder een strategische kans dan een verlies.
Bronnen: Frédéric Lordon, La crise scélérate (Le Monde diplomatique, mei 2026); Center for Strategic and International Studies (CSIS); World Bank National Accounts Data; China Africa Research Initiative (CARI, Johns Hopkins University); Global Development Policy Center (Boston University); OESO; MERICS.
1 Private credit is een verzamelnaam voor leningen die niet door een gewone bank worden verstrekt, maar door speciale beleggingsfondsen. Denk aan een bedrijf dat geld nodig heeft voor groei, maar om wat voor reden dan ook niet bij de bank terechtkan. In plaats van een beursgang of het uitgeven van obligaties (wat voorbeelden zijn van ‘publieke’ financiering), sluit het bedrijf dan een directe, onderhandse lening af met een privaat kredietfonds. Die fondsen halen hun geld op bij grote beleggers, zoals pensioenfondsen en verzekeraars. De laatste jaren is deze manier van lenen enorm populair geworden, mede omdat banken na de financiële crisis van 2008 strengere regels kregen opgelegd en voorzichtiger werden met het verstrekken van risicovolle leningen.
