Ng Sauw Tjhoi (Opinie*)
Op 6 oktober bespreekt het Europees Parlement in plenaire zitting het rapport over de EU-China-relatie van rapporteur Hilde Vautmans (lid van het liberale Renew Europe). De stemming staat gepland voor 7 oktober. De EU-houding zou op basis van dit rapport vorm krijgen.

Twee visies tegenover elkaar kunnen een helder licht werpen op het Europese parlementaire debat over China.
‘Kansen en voordelen’
De Canadese premier Mark Carney (en ook voorzitter van de Liberale partij van Canada) ziet in de relatie met China vooral kansen en voordelen. Op 16 september lanceerde EU-commissievoorzitter Ursula von der Leyen nog het idee om Canada een vorm van ’associate membership’ van de EU aan te bieden. Carney koos eerder dit jaar tegenover China voor een pragmatisch-constructieve lijn. Tijdens zijn bezoek aan Beijing kondigde hij samen met Xi Jinping een nieuw strategisch partnerschap aan, met samenwerking rond clean energy, klimaat, handel, agrovoeding, veiligheid en multilateralisme. In zijn eigen woorden wil Canada ‘de sterke punten van beide landen combineren’. De Canadese regering beschreef het partnerschap zelfs expliciet als ‘een manier om samenwerking rond energie en klimaattechnologie te versterken’. Een groene win-win!
Patrick Nijs, voormalig Belgisch ambassadeur in China, komt vanuit zijn jarenlange ervaring met het land tot een vergelijkbare conclusie: Europa voert een protectionistische politiek tegenover zijn eigen bedrijven en ontzegt zichzelf daardoor een deel van de technologische vooruitgang die China inmiddels heeft bereikt. Europa moet opnieuw leren samenwerken met China, ook wanneer die samenwerking soms conflictueus is.
Leg daar het nieuwe rapport voor het Europees Parlement onder leiding van Hilde Vautmans naast, het verschil is niet meer subtiel te noemen. China is daarin omschreven als ’partner, concurrent én systeemrivaal’. Dat laatste is op zich al een forse formulering. In de concrete aanbevelingen ligt het accent zo goed als helemaal op veiligheid, risicobeperking en het verminderen van strategische afhankelijkheden. Dat is uitvoerig te lezen in het officiële rapport A10-0237/2026 van het Europees Parlement – ‘Verslag over de aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de politieke betrekkingen tussen de EU en China.’
Bovendien gaat het rapport verder dan economische de-risking: ook mensenrechten worden voorwaardelijk in het kader waarbinnen de EU haar relatie met China zou moeten plaatsen. Dat maakt pragmatische samenwerking op z’n zachtst uitgedrukt, ingewikkelder, omdat economische en geopolitieke dossiers steeds verbonden zouden moeten worden met Europese politieke voorwaarden rond mensenrechten.
De op zich reeds weinig vertrouwenwekkende aanbevelingen in het rapport komen met een opsomming van zowat alle denkbare kritieken op China verzameld bij lobbygroepen, diaspora-netwerken en mensenrechtenorganisaties die betwistbare rapporten naar voren schuiven. Als statement kan dat tellen. Om een objectief debat te voeren, vrees ik van niet.
Een veiligheidsprobleem?
We hadden de gelegenheid enkele vragen aan mevr. Vautmans voor te leggen en citeren ook uit haar schriftelijk antwoord.
Rapporteur Vautmans benadrukt dat haar China-beleid geen economische ontkoppeling beoogt. ‘De bedoeling is dus niet: minder handel om minder handel te hebben,’ schrijft ze. Haar formulering klinkt evenwichtig: ‘Geen ontkoppeling, maar de-risking. Geen protectionisme, maar reciprociteit. Geen einde aan de dialoog, maar dialoog vanuit een positie van kracht.’
Maar kijk naar de concrete aanbevelingen en het beeld wordt anders. ‘Europa moet zijn afhankelijkheid van China verminderen wat betreft zeldzame aardmetalen, permanente magneten, geneesmiddelen, batterijen, elektrische voertuigen, halfgeleiders, biotechnologie en kwantumtechnologie’. Het gaat dus niet om enkele uitzonderlijke veiligheidskwesties, maar om cruciale domeinen van de Europese industriële economie van de toekomst. Vautmans antwoordt dat ‘Europa niet voor essentiële onderdelen van zijn economie afhankelijk [mag] worden van één land.’
Diversificatie is verstandig. Maar dat is iets helemaal anders dan de economische relatie met China steeds meer en nadrukkelijker als een veiligheidsprobleem te behandelen.
Daarin verschilt dit voorstel van benadering opvallend van die van de Canadese premier Mark Carney. Canada koos begin dit jaar voor een nieuwe strategische samenwerking met China rond onder meer energie, klimaat, handel en veiligheid. Carney stelde dat Canada en China door hun sterke punten te combineren ‘create greater stability, security, and prosperity for both our nations.’ Hij wees daarbij op China’s dominante positie in zonnepanelen, EV-batterijen en windturbines. Zijn antwoord was niet dat Canada zich daarvan moest afschermen, maar dat beide landen die complementariteit konden benutten.
Een maand later vatte Carney zijn economische filosofie nog scherper samen: ‘building true strategic economy requires diversification and partnership, not isolation.’ Dat is een wezenlijk andere invulling van strategische autonomie. Eigen capaciteit opbouwen én partnerschappen sluiten, in plaats van economische afstand als uitgangspunt te nemen, zoals hij uiteenzette in zijn toespraak in Mumbai.
Ook oud-ambassadeur Patrick Nijs vertrekt vanuit die realiteit. Vanuit zijn jarenlange ervaring met China benadrukt hij dat samenwerking niet ophoudt zodra politieke belangen botsen. Samenwerking kan conflictueus zijn en toch samenwerking blijven. Die gedachte is precies wat in het Europese China-debat dreigt verloren te gaan als dit rapport wordt aangenomen als basis voor de EU-houding.
In haar antwoord op onze vragen verklaart de rapporteur dat de kijk van de Canadese premier ‘niet noodzakelijk als het tegenovergestelde’ van haar visie is, en met Patrick Nijs ‘deel ik (dus) het uitgangspunt dat de relatie met China een vorm van samenwerking moet blijven.’
Zo gelezen lijkt de rapporteur nauw aan te leunen bij de constructieve visie van samenwerking. Alleen heeft het rapport veel meer weg van het spreekwoordelijke ‘zalven en slaan’. En dat verwoordt Vautmans zo: ‘Waar ik voor waarschuw, is dat samenwerking niet hetzelfde mag worden als afhankelijkheid’.
Afbreken of opbouwen?
Alleen, economische verwevenheid is niet per definitie een gevaar. Soms creëert wederzijdse afhankelijkheid juist belangen om conflicten beheersbaar te houden, naast alle wederzijdse voordelen van de ‘win-win-relatie’.
Dat geldt bij uitstek voor de energietransitie. Europa heeft zonnepanelen, batterijen, elektrische mobiliteit, energieopslag en efficiënte netwerken broodnodig. China beschikt op veel van die terreinen over enorme industriële schaal. Europa moet inderdaad een eigen productie ontwikkelen, recyclage uitbreiden en leveranciers diversifiëren. Maar waarom zou Europa Chinese technologie die de transitie kan versnellen zoveel mogelijk moeten wantrouwen en slechts in geringe mate toelaten?
Afgelopen hittezomer bracht de absurditeit van deze redenering scherp in beeld. De ‘rush op airco’s’ was ongezien. De winkels en assemblagelijnen konden het niet meer aan. En toen was er geen sprake van afhankelijkheid of handelsoverschotten. Of was het niet geweten dat ongeveer 85% van de aircotoestellen ‘made in China’ is. En ja, de software van airco’s was zo te zien ook geen veiligheidsprobleem.
Het is dan ook met gemengde gevoelens dat we lezen dat Vautmans zelf na haar China-missie erkent dat China ‘op sommige vlakken zelfs een voorsprong’ heeft. Dan zou de logische Europese reactie toch niet mogen zijn om die voorsprong buiten de deur te houden. Het kan ook op een andere manier: concurreren, leren, samenwerken waar dat voordeel oplevert en ondertussen de eigen industrie versterken.
Over Chinese elektrische auto’s schrijft Vautmans dat Europa ‘verder [moet] kijken dan alleen subsidies en dumping’, omdat moderne auto’s grote hoeveelheden gegevens verzamelen. Dat is een legitieme bezorgdheid over privacy en veiligheid. Maar dan hoort daar een algemene Europese norm voor data en cybersecurity bij, niet een uithaal naar China. Hetzelfde geldt voor investeringen in havens, energienetten en telecom: screen waar er concrete risico’s zijn, maak werk van wetgeving en controle, maar label de Chinese economische aanwezigheid niet automatisch als een probleem van veiligheid, spionage en controlestaat. Want met die doembeelden wordt niet zuinig omgesprongen, ook niet in het rapport, weliswaar tussen de regels.
Nog ingewikkelder wordt het bij mensenrechten. Vautmans schrijft: ‘Dialoog is geen beloning die we China geven wanneer het zich gedraagt zoals we willen. Dialoog is een instrument om onze belangen te verdedigen.’ Oké.
Tegelijk krijgen mensenrechtenkwesties in het rapport opmerkelijk veel ruimte, met onder meer stellingnames van Human Rights Watch en het World Uyghur Congress, die inmiddels in vele (internationale en academische) onderzoeken, factfindings en rapporten zijn weerlegd of in context geplaatst. ‘We (moeten) Chinese investeringen strenger controleren wanneer die betrekking hebben op strategische sectoren zoals havens, energienetten, telecom, 5G, kritieke grondstoffen, media en gevoelige technologieën. We moeten ook producten die met dwangarbeid zijn gemaakt daadwerkelijk van onze markt weren en verhinderen dat gevoelige Europese technologie in China wordt gebruikt voor militaire doeleinden, surveillance of mensenrechten schendingen’ vindt Vautmans. Dit discours staat een vruchtbare dialoog in de weg. We zijn niet naïef en dat is Mark Carney ook niet. Hij is helder en kiest voor wat hij ‘value-based realism’ noemt: principieel over mensenrechten, maar pragmatisch over samenwerking met landen die andere waarden en belangen hebben. Hij legt die benadering uit in zijn toespraak tot bedrijfsleiders in Mumbai. Kritiek en samenwerking kunnen naast elkaar bestaan. Alsof het Westen enkel kritiek heeft, en China niet op het Westen.
Dat maakt ook het verschil met Patrick Nijs helder. Hij ontkent de problemen met China niet, maar weigert samenwerking ervan afhankelijk te maken. Dat is precies de nuchterheid die in het Vautmans-rapport ontbreekt.
We lezen toch vooral voorstellen van inperkingen, controle en sancties en hoe Europa van China kan afbouwen. De Canadese premier Carney ziet de kansen en wederzijdse voordelen. En Patrick Nijs vertrekt van de vraag wat Europa samen met China kan opbouwen.
Dat is geen naïviteit. Dat is investeren in strategische autonomie door respectvolle samenwerking. Dat vergt politieke moed. Net zoals het Europese kapitaal te investeren in sociaalecologische prioriteiten, gepland en op lange termijn.
Als we dat niet van China kunnen leren?
Voormalig VRT-journalist Ng Sauw Tjhoi is hoofdredacteur China Vandaag
* De meningen in de opiniestukken weerspiegelen de visie van de individuele auteurs en niet noodzakelijk de officiële lijn van de volledige redactie.
