Zijn de Oeigoeren ‘slavenarbeiders’?

Een nieuw rapport betwijfelt de beweringen van het door de NAVO gefinancierde Australian Strategic Policy Institute dat de Chinese regering een programma voor dwangarbeid door de Oeigoeren opzet, schrijft Jenny Clegg in The Morning Star.

Oeigoerse arbeiders

De kwestie van dwangarbeid door Oeigoeren wordt voorgesteld als een bijzonder erge schending van de mensenrechten in China.

Centraal daarin staat het rapport van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI) van 2020, ‘Uyghurs For Sale’, waarin wordt beweerd dat de Chinese regering een programma voor dwangarbeid door Oeigoeren opzet. ASPI rekent op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, de NAVO en een aantal wapenhandelaren als zijn grootste donoren. Waarom een organisatie die zich richt op strategie en defensie een kwestie van dwangarbeid zou moeten aanpakken, blijft een raadsel.

Dit terzijde gelaten, is het rapport van ASPI gebruikt als belangrijkste argument voor recente Amerikaanse wetgeving om goederen die door Oeigoerse arbeiders zijn gemaakt, te verbieden. Groot-Brittannië kan dit jaar wellicht dit voorbeeld volgen met een soortgelijk wetsvoorstel, want parlementsleden als Tom Tugendhat lopen al voorop en schreeuwen ‘slavenarbeid’.

De beschuldigingen van ASPI worden echter in twijfel getrokken door Jaq James, een onafhankelijk pleiter voor internationaal recht in een paper voor het onlangs opgerichte Australische CoWestPro Consultancy, die de beschuldigingen onderworpen heeft aan een forensisch juridisch onderzoek.

Weinig cases, verkeerd toegepaste criteria

Uyghurs For Sale‘ is gebaseerd op slechts zes casestudies van fabrieken die Oeigoeren in dienst hebben in andere provincies dan Xinjiang, dit in de context van China’s praktijk om minder ontwikkelde provincies te koppelen aan rijkere provincies om hun ontwikkeling vooruit te helpen. In feite is dat beleid China’s manier om het recht op werk voorzien door de VN te realiseren. Migratie is in ieder geval een normaal onderdeel van ontwikkeling in China; er zijn zo’n 300 miljoen arbeidsmigranten.

ASPI’s beschuldigingen richten zich op het toepassen van de 11 indicatoren van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) voor dwangarbeid. Maar, zoals James opmerkt, deze zijn slechts een leidraad voor het identificeren van mogelijke tekenen van misbruik voor verder onderzoek en komen ze niet neer op een wettelijke definitie, iets wat ASPI onvoldoende duidelijk maakt.

In veel gevallen vindt James dat de criteria van ASPI niet volledig overeenkomen met de IAO-criteria en waar er toch een overeenkomst lijkt te zijn, blijkt de ASPI-beschuldiging op los zand te staan door vooringenomenheid, verkeerde vertaling van overheidsdocumenten en een slordige methodologie die vertrouwt op geruchten en getuigenissen van journalisten.

Verdraaide feiten

Aspi zegt bijvoorbeeld dat de aanwezigheid van prikkeldraad rond de fabrieken wijst op bewegingsbeperking. Maar dit is toch een gangbare praktijk over de hele wereld, niet om arbeiders binnen te houden, maar om anderen buiten te houden om dure machines te beschermen! Waarom zou dat in China anders zijn?

Sommige fabrieken bleken avondscholen te organiseren voor de jonge Oeigoerse arbeiders met lessen Chinese taal, beroepsopleiding en ‘patriottische opvoeding’; dit laatste ging over beleid en regelgeving en moedigde hen aan de Communistische Partij en de regering te steunen. Voor ASPI zijn dit allemaal vormen van “culturele genocide”, maar zoals CoWestPro opmerkt, bestaat er geen wettelijk gedefinieerde dergelijke misdaad. ASPI geeft evenmin bewijs dat deze klassen schadelijk waren voor de Oeigoerse individuele- of nationale identiteit.

Neem de slogan “Vertel verhalen over armoedebestrijding; toon diepe dankbaarheid aan de partij” – is dit patriottische opvoeding of politieke indoctrinatie? Verder stoort ASPI zich aan de naamgeving van een avondschool, “Granaatappelpit”, verwijzend naar een citaat van Xi Jinping dat zogenaamd zou luiden: ‘Alle etnische groepen moeten stevig aan elkaar gebonden zijn zoals de pitten van een granaatappel’. Maar het volledige citaat luidt:”Alle ethnische groepen moeten elkaar begrijpen, elkaar respecteren, elkaar verdragen, elkaar waarderen, van elkaar leren, elkaar helpen en elkaar stevig omarmen zoals de pitten van een granaatappel’ Wat is daar mis mee?

En hoe zit het met het ietwat verontrustend klinkend ‘psychologische bagger’ kantoor van de plaatselijke vrouwenfederatie in een van de fabrieken? Voor ASPI is dit het bewijs van ‘het controleren van de ‘ideologische neigingen’ en ‘gedachten’ van de Oeigoerse arbeiders met het oog op politieke indoctrinatie’, en duidelijk zo intensief dat de mensenrechten worden geschonden. Maar nauwkeuriger vertaald blijkt dit een adviesbureau te zijn, een dienst die door veel grote bedrijven en instellingen over de hele wereld wordt geleverd aan hun werknemers.

Dan is er nog het geval van de fabriek met een ‘actieplan voor noodsituaties’ dat gezamenlijk wordt uitgevoerd door het management en de lokale overheid en dat een dagelijks rapportagesysteem heeft opgezet waarin expliciet wordt vermeld dat het is bedoeld om de ‘ideologische neigingen van arbeiders uit Xinjiang’ onder controle te houden.

CoWestPro verduidelijkt echter dat het plan verwijst naar rellen in Xinjiang in 2009. Die waren een reactie op een gewelddadige botsing tussen Han en Oeigoerse arbeiders in Guangdong waarbij minstens twee Oeigoerse arbeiders werden gedood en 118 mensen gewond raakten. De rellen resulteerden toen in 197 doden en meer dan 1.700 gewonden. Wanneer men het in zijn context bekijkt ging het plan niet zozeer om dwang of indoctrinatie, maar meer om een proactieve stap om de herhaling van een dergelijk etnisch conflict te vermijden en het mensenrecht van veiligheid op het werk te waarborgen. Commentaar van Zoals CoWestPro: ‘Indien ASPI een betere oplossing had om met etnische spanningen op de werkplek om te gaan, had het dat moeten zeggen.’

Hetzelfde plan voorziet ook werkplekfaciliteiten – het aanbieden van een bibliotheek, een recreatieruimte, sportfaciliteiten, video chatrooms, traditionele Oeigoerse halalmaaltijden – die ASPI allemaal niet meldt, en, in tegenstelling tot ASPI’s bewering dat (niet nader genoemde) religieuze praktijken verboden waren, vermeldt het ook de viering van islamitische religieuze feesten.

Van de 18 vermoedelijke gevallen van dwangarbeid die door ASPI naar voor werden gebracht, bleek geen enkele overeind te blijven na nauwkeurig onderzoek door CoWestPro. De hoofdauteur van ‘Uyghurs For Sale’ heeft blijkbaar zelfs erkend dat ‘het zonder adequate toegang voor auditors moeilijk blijft om te bepalen of een fabriek [in China] dwangarbeid gebruikt of niet’.

Maar ondanks Chinese wetten tegen dwangarbeid, blijft het fenomeen bestaan en niet alleen bij de Oeigoeren. China is nog steeds een ontwikkelingsland. Het heeft nog een lange weg te gaan om de arbeidsomstandigheden te verbeteren en de juridische infrastructuur moet dringend worden gemoderniseerd. Zelfs als de nationale wetten vooruitstrevend zijn, kan hun toepassing slecht zijn – door incompetentie, onwetendheid en regelrechte corruptie op lokaal niveau. ASPI ziet echter dwangarbeid in wat in wezen ondermaatse werkomstandigheden zijn en zelfs in onschuldige dagelijkse bezigheden zoals douchen of de Chinese taal leren.

Valkuilen in westerse berichtgeving

De kritiek van CoWestPro toont valkuilen in de westerse berichtgeving over mensenrechtenschendingen in China: verkeerde vertalingen en het niet in aanmerking nemen van de context voeden vage ideeën over ‘culturele genocide’; ‘kaderleden’ worden ‘oppassers’; de ‘moderne opvattingen’ die jonge Oeigoerse arbeiders kunnen krijgen als ze samen komen met mensen van verschillende etnische achtergrond op en buiten de werkplek, wordt ‘ideologische indoctrinatie’.

Bij ons is het de gewoonte politiek buiten de werkvloer te houden, maar is het een schending van de mensenrechten als de Chinese Communistische Partij de Chinese arbeiders, waaronder Oeigoeren, oproept om dankbaar te zijn voor haar successen bij het verminderen van armoede, het bestrijden van Covid, of het in stand houden van een stabiele economische en sociale voortgang?

De paper van CoWestPro is niet bedoeld om alles wit te wassen – sommige aantijgingen rechtvaardigen nader onderzoek – maar wat het wel doet, is overtuigend onthullen dat het ASPI-rapport, met zijn zucht naar sensatie en verdraaiing van de feiten, een opzettelijk stuk desinformatie is, bedoeld om de Chinese regering te demoniseren en haar reputatie op het wereldtoneel te schaden.

ASPI zelf schender van Oeigoerse mensenrechten?

Het ASPI-rapport heeft in feite de Oeigoeren waarschijnlijk een aanzienlijk economisch nadeel opgeleverd, aangezien het noemen van betrokken leveranciers waarschijnlijk heeft bijgedragen tot het verlies van banen. Pogingen om hun armoede te verlichten zijn mogelijk tegengewerkt door de verstoring van de door de overheid georganiseerde opleidingsprogramma’s, die volgens de VN overigens alle regeringen moeten aanbieden, vooral aan jongeren, vrouwen, kansarmen en gemarginaliseerden.

De paper van CoWestPro – en de vragen die het oproept – verdient ernstige aandacht binnen de arbeidersbeweging: moeten de VN- en IAO-conventies worden beschouwd als one-size-fits-all normen voor alle werkplekken of eerder als een leidraad met ruimte voor een flexibele praktijk die tegemoet komt aan verschillen in culturele en nationale omstandigheden? In plaats van ons te haasten om verboden en sancties te steunen, is het beter om advies te geven voor het verbeteren van de arbeids- en antidiscriminatiewetten en de duurzame ontwikkeling van China te ondersteunen zoals die gepland is in het huidige,14e vijfjarenplan.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in The Morning Star.
Het is vertaald en gepubliceerd door www.chinasquare.be met toestemming van de auteur. De tussentitels zijn van de vertaler
De volledige paper van CoWestPro vind je hier.

Print Friendly, PDF & Email

1 comment for “Zijn de Oeigoeren ‘slavenarbeiders’?

  1. Dit is niet de eerste keer dat Westerse regeringen, gesteund door vrijwel alle Westerse media, verhalen over ‘dwangarbeid’ in Xinjiang in de wereld te zetten.
    Ruim een jaar geleden kwamen er verhalen in de Westerse pers over dwangarbeid in de katoenindustrie, een van de steunpilaren van de economie van Xinjiang. Deze werden in de media van alle Westerse landen klakkeloos overgenomen, zonder dat ook maar één journalist de moeite nam (mocht nemen van de eigen redactie?) de gemelde feiten na te trekken.
    De aanstichter van de bewering was het Better Cotton Initiative (BCI). Deze organisatie was aanvankelijk opgericht om de productie van katoen wereldwijd duurzamer te maken. Dat was een alleszins nobel streven en BCI was overal waar zij kantoren wilde openen welkom. Op een gegeven moment echter ging BCI zich ook steeds meer met de politiek-economische situatie van de grote katoen producerende landen bemoeien. Toen de Westerse anti-China hetze zich op Xinjiang ging concentreren, kwam het hoofdkwartier van BCI in Geneve ineens met het bericht over dwangarbeid in de kantoenindustrie in Xinjiang. De eerste partij die daartegenin ging was BCI’s eigen kantoor in Shanghai. BCI China had namelijk het gerenommeerde kwaliteitsonderzoeksbedrijf uit Zwitserland SGS ingeschakeld de situatie in Xinjiang te onderzoeken. De rapporteurs vonden geen bewijs van dergelijke dwangarbeid. Het hoofdkwartier van BCI negeerde dat rapport zonder opgaaf van reden. Deze interne ruzie is in o.a. in de vakpers van de kledingindustrie Apparel Insider gemeld (https://apparelinsider.com/bci-shanghai-claims-audit-findings-were-ignored/). BCI heeft zelf niets over deze interne onenigheid gemeld, maar heeft wel snel de beschuldiging van de website gehaald.
    Een ander feit dat niet met de beschuldiging van dwangarbeid strookte was dat ’s werelds grootste producent van katoenoogstmachines, John Deere, in de periode voor de publicatie van de beschuldigingen een groot aantal machines in Xinjiang verkocht had. Het bedrijf meldde een omzetvergroting van 4000% (zie: https://www.scmp.com/economy/china-economy/article/3096510/us-farm-brand-john-deere-forefront-surging-cotton-machinery). Niet één Westerse ‘onderzoeksjournalist’ vermeldde dit in de berichtgeving over dit onderwerp. Dat kan ik me wel voorstellen. Immers, hoe verklaar je dat grote aantal nieuwe machines in het licht van dwangarbeid?
    Wat bezielde het BCI dan bij het in de wereld brengen van zo’n zware beschuldiging? De belangrijkste financier van BCI is USAID, terwijl de VS zelf ook een grote producent van katoen is (hoe zat dat ook alweer met slavernij?). Anders dan de Westerse journalisten laat ik het eindoordeel aan de lezers.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden.