Panelgesprek over Europa en China georganiseerd door MO*

Hoe moet Europa omgaan met China? Daarover ging een panelgesprek dat MO* magazine belegde op 23 mei, in het kader van een Gents stadsfestival onder de noemer ‘Les MO*ts de Gand’.

Europa
Twee kleine strijders op een enorme slak: de nietigheid van conflicten in het licht van de wereldgeschiedenis. Inkttekening door de Chinese kunstenaar Feng Zikai (1898–1975).
Disclaimer afbeelding: illustratie bij een opiniestuk in MO*

Aan het woord kwamen: Yves Leterme, Ching Lin Pang, Pascal Coppens, Bart Dessein, Sara Van Hoeymissen, Veerle De Vos en John Vandaele, die optrad als vragensteller en moderator. De opinies* in vragen en uitspraken zijn voor de verantwoordelijkheid van de sprekers en de moderator. ChinaSquare-redacteur Dirk Nimmegeers maakte het onderstaande verslag en voegde er enkele links en een beoordeling aan toe.

Introducties door MO*

MO* magazine leidde het evenement als volgt in. ‘China is op dertig jaar tijd een economische en politieke supermacht geworden. Op industrieel gebied staat het land enorm sterk. Dat heeft verregaande gevolgen, of het nu om onze jobs gaat of om defensie. China is tegelijk ’s werelds grootste vervuiler, maar het schenkt de wereld ook goedkope en kwaliteitsvolle zonnepanelen, batterijen en elektrische wagens. Nu de VS onder president Trump een bron van eindeloze onzekerheid zijn geworden, stelt zich de vraag of China voor Europa een partner kan zijn om te werken aan vrede, welvaart en de zorg voor de planeet. Maakt onbekend onbemind, of is China echt een vijand?’ 

Zo introduceerde MO* de deelnemers aan het panel.
Yves Leterme, voormalig premier van België, voormalig adjunct-directeur van de OESO, nu onder meer bestuurder bij het Chinese bedrijf ToJoy. Komt vaak in China.
Pascal Coppens, sinoloog, technoloog en auteur van drie sterke boeken over China waaronder het recente ‘China’s next miracle’.
Ching Lin Pang, hoofd van de taalgroep Chinees aan de UAntwerpen en docent van het vak China en Global Politics aan de KU Leuven.
Sara Van Hoeymissen, doctor in de Chinese studies met veel ervaring in Afrika, doceert aan de Koninklijke Militaire School.
Bart Dessein, professor sinologie aan de UGent, hoofd van onderzoeksgroep Oost-Aziatische culturen, tevens onderzoeker bij de Belgisch-Europese denktank Egmont Instituut.
Veerle De Vos, VRT-journaliste, China-experte, auteur van ‘Alles onder de hemel’.

In de loop van het gesprek vertelde MO*-journalist John Vandaele dat hij ook Jonathan Holslag had gevraagd. Die kon echter niet aanwezig zijn vanwege ‘zijn verplichtingen als burgemeester van Tienen’.

John Vandaele verdeelde het gesprek in twee delen. 1. Wat moeten we over China weten en waarom? 2. Hoe moet Europa met China omgaan?

1. Wat moeten we over China weten en waarom?

De moderator nodigde de sprekers uit in te gaan op of tegen de narratieven dat China ‘het spel niet eerlijk speelt’, ‘met Europa een oneerlijke concurrentie aangaat die ons banen kost’, en verder ‘ook een politieke en militaire bedreiging vormt’.

Pascal Coppens was het niet eens met het verhaal over oneerlijke concurrentie. Volgens hem is er in China sprake van een andere focus en andere prioriteiten, die overigens zakelijk gezien efficiënter zijn. Zo geeft de overheid er subsidies aan bedrijven die een rol kunnen spelen in de vijfjarenplannen. De EU geeft net zo goed subsidies en voordelen aan bedrijven, maar steunt de grootste ondernemingen die er door hun macht in slagen die ondersteuning binnen te halen. Staatssteun kun je niet oneerlijk noemen vindt China en daar is veel voor te zeggen. Er is inderdaad een grote, en vaak gunstige verwevenheid tussen politiek en economie. Veel politici zijn ook ondernemers. Een goed voorbeeld is Shenzhen waar de overheid en grote rol heeft gespeeld in het succes van BYD (het bekende bedrijf dat onder andere elektrische auto’s en batterijen produceert). Yves Leterme bestreed ook dat China het spel niet eerlijk zou spelen. Hij nuanceerde echter de visie dat de Chinese overheid altijd efficiënt zou opereren. Hij gaf een beschrijving van de heterogene samenstelling van het bedrijfsleven die de vijfjarenplanbedrijven (zijn term, ook in een interview met MO*) bevoordeelt. Een sterke kant van de Chinese economie is de voorspelbaarheid. Als China plannen opstelt realiseert ze die ook. Dat wordt bijvoorbeeld in Afrika gewaardeerd. Europa dat de invloed van China in Afrika bekritiseert, heeft wat dat continent betreft zelf geen adelbrieven voor te leggen. Nog een Chinees voordeel is de enorme schaal waarop wordt geproduceerd. De voortvarendheid van de Chinese politici en ondernemers leidt echter wel soms tot een gebrek aan economische logica, overproductie en een onhandige manier om zaken te doen. Voor Europa is het beter niet te klagen over dumping, maar te kijken naar hoe we met de Chinese economie zelf efficiënt in dialoog kunnen gaan en kunnen samenwerken. John Vandaele noemde de visie van Coppens en Leterme een ‘eersteklas begrafenis van het neoliberalisme’. Hij repliceerde echter op de vaststelling van de omvang van de productie dat die de kans biedt om de prijs te drukken en overproductie te dumpen. Gevolg: banenverlies in Europa. Vandaele wilde graag een duidelijke uitspraak over hoe Europa zijn ondernemers en hun werknemers kan beschermen tegen wat hij beschouwt als ‘een gevaar van een economisch te machtig China’. Hij bleef echter op zijn honger zitten.

De andere panelleden waren het net als Pascal Coppens over het algemeen oneens met de bewering dat China ‘oneerlijk’ is, en leken de bal terug te spelen naar Europa zelf. ‘Europa is een beetje hypocriet, het verandert vaak zelf de spelregels’ (Leterme). ‘China wil de wereld niet veroveren of zijn eigen model exporteren’ (Ching Lin Pang). ‘In Afrika geniet China veel bewondering: het laat zien dat het een eigen model heeft, en geeft blijk van grote durf, maar ook van solidariteit. In Botswana, tijdens de COVID-crisis, waar ik toen werkte, kregen we pas laat vaccins, maar niet van Europese landen, maar van de Aziatische landen Korea, China en India. Dat heeft indruk gemaakt’ (Sara Van Hoeymissen). ‘China zorgt goed voor zijn universiteiten, enorme fondsen gaan naar onderzoek. In de EU worden academische projecten soms na een paar jaar stopgezet’ (Bart Dessein). ‘China fungeert maar al te vaak als zondebok, als een passe-partout voor onze eigen problemen. Denk maar aan de brief van de Belgische premier aan de voorzitter van de Europese Commissie.’(Veerle De Vos).

John Vandaele wilde vervolgens weten wat zijn gasten vonden van de bewering dat ‘China een dictatuur’ is. In het land zelf zeggen ze dat ze ‘een eigen soort democratie hebben, en net zoals hun socialisme, een met Chinese kenmerken’. Hierop hadden de sprekers over het algemeen een genuanceerde visie, met zowel min- als pluspunten
Veerle De Vos ziet de grote invloed die Xi in alle belangrijke instellingen kan laten gelden, maar ook dat de vijfjarenplannen na veel overlegrondes nauwgezet worden afgestemd. De partijtop houdt wel degelijk voeling met de bevolking, onder andere via de Politieke Raadgevende Conferentie. Volgens de VRT-journaliste is de persvrijheid minimaal, ‘er is maar 1 stem, die van de CPC’. Toen John Vandaele en Bart Dessein wezen op de populariteit van de Chinese regering bij de eigen bevolking, zoals aangetoond in westerse peilingen zoals de Edelman Trust Barometer of de World Values Survey, gaf De Vos als een van de verklaringen ‘dat de bevolking geen alternatief heeft’. Coppens en Leterme zagen dat toch anders. De eerstgenoemde stelde de retorische vraag ‘welke zogenaamde dictatuur heeft zoveel gerealiseerd voor de bevolking?’. Voor hem werkt het politieke model van China als een bedrijf. Ondernemingen zijn ook niet volledig democratisch en worden net zoals de Chinese regering afgerekend op hun resultaten. Leterme vond dat Europa ook op dit gebied moet oppassen om te hoog van de toren te blazen. Hij wees er bijvoorbeeld op dat de EU-landen de 5% verhoging van de bijdrage aan de NAVO, door Trump geëist, zonder enige inspraak van de bevolking hebben aanvaard. De oud-premier is onder de indruk van de grote algemene politieke betrokkenheid en uitgebreide kennis van de wereldpolitiek die hij bij de Chinese bevolking heeft waargenomen. Ching Lin Pang vond net als Veerle De Vos dat het risico’s kan inhouden als sommige burgers zich op een bepaalde manier mengen in de politiek, maar geloofde ook dat Chinese politici mensen met een missie zijn. Onder de panelleden leek er wel instemming te bestaan over de gedachte dat China niet de bedoeling heeft zijn politieke systeem op te dringen aan andere landen, ‘dat zou ook niet kunnen vanwege de grote culturele verschillen’.

‘Gaat er dan geen bedreiging uit van de toenemende bewapening van China?’, wilde de moderator weten. Sara Van Hoeymissen voelde zich aangesproken in haar expertise. Zij sprak van een logische inhaalbeweging in de militaire uitgaven: vroeger zette alleen de economische ontwikkeling de toon en China voelde zich niet bedreigd. Voor een economisch succesvol land is het normaal dat het ook in het leger gaat investeren. Defensie gaat voor China over nationale veiligheid en territoriale aanspraken, verdediging van de eenpartijstaat, en geldt meer en meer de bescherming van Chinese commerciële en economische belangen ‘over zee’. Volgens haar zou ‘er voor ons alleen een bedreiging voortkomen uit een gewapend conflict rond Taiwan. Dat zou ook ons aangaan’. Een grote geruststelling en iets waar volgens haar te weinig aandacht voor bestaat is de toezegging die door China als enige kernmacht is gegeven om nooit als eerste kernwapens in te zetten. Bart Dessein leek geneigd het verhaal over de belangenbehartiging in verre zeehavens en rond waterwegen te volgen, met de vaststelling dat China intussen een grote zeemacht heeft opgebouwd. Hij wilde echter ook rekening houden met het feit dat China met zijn op een na grootste militaire budget toch nog steeds niet meer uitgeeft aan wapens dan een derde van de VS. Leterme herinnerde eraan dat de VS in de hele wereld agressief militair tekeer gaat en Frankrijk vooral in Afrika. Wat de inhaalbeweging betreft vond hij dat Zuid-Korea een veel grotere inhaalslag maakt dan China. Uiteindelijk was er in het panel een consensus dat het militaire risico in de Straat van Taiwan gering is. Leterme vatte het kernachtig samen met ‘Taiwan zal siniseren zonder oorlog’.

2. Hoe moet Europa met China omgaan?

Toen de panelleden deze vraag probeerden te beantwoorden kwamen ze met zijn allen niet veel verder dan morele zelfkritieken en oproepen tot een realistische zakelijke samenwerking met China.

‘Europa heeft te weinig belangstelling voor de Chinese cultuur, is te zelfingenomen om zich in te spannen en China te leren kennen, van het land te leren. Europa verschijnt verdeeld op het toneel, is traag en bureaucratisch. Chinese ondernemers en diplomaten vinden dat soms hallucinant’, zo klonk het. En: ‘In Europa weigert men de grote vooruitgang te zien die China heeft gemaakt en waarmee het voortgaat in de vergroening van de economie, de strijd tegen de vervuiling van het water (aan de Jangtse) en de lucht (alle dagen blauwe lucht boven Beijing).’

‘Europa staart zich blind op een vermeende militaire dreiging en houdt vast aan de eigen mensenrechtendefinitie, wat in feite een minachting is voor de Chinese houding van sterk principiële non-interventie’ (Leterme).’

We noteerden positieve en concrete voorstellen. ‘We moeten de concurrentie die we niet meer kunnen winnen niet verder zetten (de automobielsector), maar nagaan wat wij China wel nog te bieden hebben. Er zijn sectoren genoeg waarin China belangstelling heeft voor een samenwerking met wederzijds voordeel. De internationalisering van onze producten is bijvoorbeeld een sterk punt van Europa: daar kan en wil China beslist van leren’ (Coppens). Het wordt tijd de preken en de achterdocht achter ons te laten en eindelijk het gesprek te heropenen over het investeringsverdrag tussen de EU en China (Leterme).

De partijleider en president van Vietnam zit op de Chinese (hogesnelheids)trein bij zijn bezoek aan de Volksrepubliek. Disclaimer foto Xinhua/ Dai Tianfang

Eigen beoordeling

Het panelgesprek van 23 mei zal beslist een deel van het publiek wijzer gemaakt, gestimuleerd, en aangenaam verrast hebben. De sprekers bestreden de achterdocht en de mythes van ‘het Chinese gevaar’ en pleitten voor openheid van geest tegenover de prestaties van China en een pragmatische samenwerking met het land. We misten in het hele panelgesprek een politieke verklaring voor de bewonderde prestaties van China. De partij die het land bestuurt is erin geslaagd vele elementen uit de Chinese beschaving die zich daarvoor lenen, met het marxisme te combineren voor een socialistisch maatschappijproject. We verwijzen hierbij naar de succesvolle oproep van Deng Xiaoping in 1984 om in China een snellere en grotere ontwikkeling van de productiekrachten te realiseren dan in het kapitalistische systeem. Volgens de initiatiefnemer van de opening en hervorming van China zou ‘op die manier de superioriteit van het socialistische systeem uiteindelijk blijken’. Zoiets zou de Europeanen bij de ‘eersteklas begrafenis van het neoliberalisme’ (dixit John Vandaele) kunnen inspireren.

Standpunten in opiniestukken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur.