China bouwt nog steeds nieuwe steenkolencentrales. Maar toch is er een groene revolutie bezig. Wat de China Energy Transition Review 2025 ons daarover leert.
Ng Sauw Tjhoi

Wie China’s energietransitie wil begrijpen aan de hand van één kolencentrale, kijkt naar een foto en mist het landschap. Toch is dat ongeveer het beeld dat in het westerse debat vaak wordt opgeroepen. Een nieuwe Chinese kolencentrale verschijnt in beeld en de conclusie volgt bijna automatisch: China bouwt groene energie én kolencentrales, dus van een echte energietransitie zou nauwelijks sprake zijn.
Juist daarom is het interessant om te kijken naar wat Ember daarover vaststelt. Ember is een internationaal opererende, onafhankelijke energiedenktank die zich heeft gespecialiseerd in elektriciteitsdata en de wereldwijde overgang naar een koolstofarme elektriciteitssector. Haar analyses worden internationaal gebruikt door onder meer beleidsmakers, onderzoekers, journalisten en energieorganisaties. Ember verzamelt en analyseert elektriciteitsdata uit landen over de hele wereld en volgt nauwgezet de ontwikkeling van wind, zon, kolen, gas en andere energiebronnen. Het is dus geen Chinese bron en evenmin een organisatie die China’s politieke belangen verdedigt.
Precies daarom is het China Energy Transition Review 2025 van Ember zo interessant. Het rapport bevestigt dat China nog altijd sterk afhankelijk is van steenkool en nieuwe kolencapaciteit bouwt, maar laat tegelijkertijd zien dat zich in het Chinese energiesysteem een transformatie voltrekt die op wereldschaal nauwelijks een equivalent heeft. Wind, zon, batterijen, elektriciteitsnetten en elektrificatie groeien zo snel dat de relatie tussen economische groei en fossiel energiegebruik begint te veranderen.
Dat maakt de Chinese ontwikkeling een stuk ingewikkelder dan het populaire verhaal waarin China groene propaganda bedrijft terwijl het ondertussen gewoon doorgaat met kolen.
Een energierevolutie op Chinese schaal
De cijfers van Ember zijn moeilijk te negeren. In 2024 voegde China 278 gigawatt zonne-energie en 79,8 gigawatt windenergie toe. De gezamenlijke capaciteit van wind en zon kwam daarmee boven 1.400 gigawatt uit. Het doel dat Beijing oorspronkelijk voor 2030 had gesteld, werd daarmee al zes jaar eerder bereikt.
Het aandeel wind en zon in de Chinese elektriciteitsproductie steeg van ongeveer 9 procent in 2020 naar 18 procent in 2024. In vier jaar tijd werd dat aandeel dus verdubbeld.
Nog belangrijker is wat er met de groeiende elektriciteitsvraag gebeurt. Volgens Ember werd in 2024 ongeveer 84 procent van de groei van de Chinese elektriciteitsvraag door schone energie opgevangen, waaronder wind, zon, waterkracht en kernenergie.
Daarmee begint een oude formule haar vanzelfsprekendheid te verliezen. Economische groei leidt nog steeds tot meer elektriciteitsgebruik, maar extra elektriciteitsvraag hoeft niet langer automatisch te leiden tot een evenredige toename van fossiele elektriciteitsproductie.
Een steeds groter deel van de nieuwe vraag wordt door schone bronnen ingevuld.
Ook in 2025 zet de verschuiving door
De ontwikkeling bleef niet beperkt tot 2024. In de eerste helft van 2025 steeg de Chinese productie van zonne-energie volgens Ember met ongeveer 43 procent, terwijl windenergie met 16 procent groeide. Tegelijkertijd daalde de fossiele elektriciteitsproductie met ongeveer 2 procent ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder.
Dat is relevanter dan alleen het aantal nieuwe zonnepanelen. Een energietransitie gaat uiteindelijk niet uitsluitend over geïnstalleerde capaciteit, maar over de elektriciteit die daadwerkelijk wordt geproduceerd en gebruikt.
Wanneer de elektriciteitsvraag blijft groeien en de groei daarvan steeds meer door wind, zon en andere schone bronnen wordt opgevangen, verandert de structuur van het energiesysteem.
Precies daar ligt de betekenis van de Chinese cijfers.
Maar China bouwt toch kolencentrales?
Ja. China beschikt over een enorme kolenvloot en blijft nieuwe capaciteit bouwen. Dat is een reëel klimaatprobleem en het zou verkeerd zijn dat te verdoezelen.
Maar daaruit volgt niet dat de Chinese energietransitie een verzinsel is.
Een energiesysteem verandert niet in één keer. Oude infrastructuur blijft functioneren terwijl nieuwe infrastructuur wordt opgebouwd. China moet bovendien tegelijkertijd een enorme industriële economie van energie voorzien, zijn elektriciteitsnet stabiel houden en zijn afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen.
Ook de manier waarop kolencentrales worden ingezet is van belang. Naarmate wind en zon een groter deel van de elektriciteitsproductie leveren, kunnen kolencentrales vaker als flexibele aanvulling worden gebruikt wanneer hernieuwbare productie tijdelijk tekortschiet. Dat maakt kolen niet schoon en verandert niets aan de uitstoot, maar het kan wel de plaats van kolen in het totale elektriciteitssysteem veranderen.
De vraag is daarom niet alleen hoeveel kolencapaciteit China heeft, maar ook hoeveel elektriciteit die centrales daadwerkelijk produceren en hoe hun rol zich ontwikkelt naast de snel groeiende hernieuwbare capaciteit.
China bouwt het hele energiesysteem
De Chinese energietransitie draait bovendien niet alleen om wind en zon. Volgens Ember investeerde China in 2024 ongeveer 625 miljard dollar in schone energie, goed voor circa 31 procent van de wereldwijde investeringen in deze sector.
Tegelijkertijd worden batterijopslag en elektriciteitsnetten snel uitgebreid. De batterijopslagcapaciteit is volgens Ember in drie jaar tijd verdrievoudigd en de investeringen in het elektriciteitsnet bereikten in 2024 een recordniveau.
Dat is essentieel voor een energiesysteem waarin wind en zon een steeds groter aandeel krijgen. China bouwt niet alleen nieuwe productiecapaciteit, maar ook de infrastructuur om die elektriciteit op te slaan, te transporteren en beschikbaar te maken wanneer ze nodig is.
Daarmee wordt de energietransitie ook een industriële transformatie.
Van fossiele brandstof naar elektriciteit
Een tweede ontwikkeling speelt zich af buiten de elektriciteitscentrales. China elektrificeert steeds meer economische activiteiten.
Volgens Ember steeg het elektriciteitsgebruik tussen 2015 en 2023 met 65 procent, terwijl het gebruik van fossiele brandstoffen in gebouwen, industrie en transport in dezelfde periode met ongeveer 1,7 procent daalde.
Dat betekent dat de overgang niet alleen draait om het vervangen van fossiele elektriciteitsproductie. Steeds meer activiteiten die vroeger rechtstreeks olie, gas of kolen gebruikten, worden overgeschakeld op elektriciteit. Naarmate het elektriciteitsnet vervolgens verder verduurzaamt, kan ook die elektrificatie steeds meer bijdragen aan emissiereductie.
Elektrische auto’s zijn daarvan het meest zichtbare voorbeeld, maar dezelfde ontwikkeling speelt in de industrie en andere sectoren.
China als industriële motor
China verandert daarmee niet alleen zijn eigen energiesysteem. Het land heeft tegelijkertijd een enorme industriële capaciteit opgebouwd voor de productie van zonnepanelen, batterijen, elektrische voertuigen, windturbines en andere technologieën die de wereldwijde elektrificatie ondersteunen.
Dat zorgt voor een paradox die in het westerse debat vaak verloren gaat. China is een van de grootste gebruikers van fossiele energie ter wereld, maar tegelijk een van de belangrijkste producenten van de technologie die fossiele energie wereldwijd moet helpen vervangen.
Die twee feiten sluiten elkaar niet uit. Ze zijn juist onderdeel van dezelfde overgang. China heeft zijn oude energiesysteem nog nodig terwijl het met grote snelheid een nieuw energiesysteem en een bijbehorende industriële basis opbouwt.
Parijs: China, Europa en de Verenigde Staten
De internationale context maakt dat verhaal nog interessanter. Het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 bracht vrijwel alle landen samen rond de doelstelling om de opwarming ruim onder 2 graden te houden en inspanningen te leveren om 1,5 graad binnen bereik te houden. Het akkoord schrijft landen geen identieke energiemix voor, maar werkt met nationale klimaatbijdragen.
China heeft binnen dat kader aangekondigd zijn CO₂-uitstoot vóór 2030 te laten pieken en vóór 2060 koolstofneutraliteit te bereiken. Dat zijn ambitieuze doelstellingen, al zal uiteindelijk vooral de daadwerkelijke ontwikkeling van uitstoot en energiegebruik bepalen hoe geloofwaardig en toereikend ze blijken.
Europa heeft zijn eigen route gekozen. De Europese Unie wil volgens de Europese Commissie haar netto-uitstoot tegen 2030 met minstens 55 procent verminderen ten opzichte van 1990 en klimaatneutraal zijn in 2050. Maar je hoeft geen zwartkijker te zijn om ernstig te twijfelen aan de voortgang in de Europese Unie. De ‘Green Deal’ lijkt wel in de diepvries beland te zijn.
En dan hebben we nog de Verenigde Staten, … die hebben ondertussen (opnieuw) een andere koers gekozen. De regering-Trump kondigde in januari 2025 de terugtrekking uit het Klimaatakkoord van Parijs aan. Volgens de UNFCCC werd die terugtrekking op 27 januari 2026 effectief.
Het is tegen die achtergrond opmerkelijk dat China in het westerse debat zo vaak wordt weggezet als de dwarsligger om klimaatprobleem aan te pakken. Het land heeft zonder twijfel een ernstig steenkolenprobleem, maar het is tegelijkertijd verantwoordelijk voor een enorm deel van de wereldwijde groei van zonne- en windenergie en voor een belangrijk deel van de industriële productie achter de wereldwijde elektrificatie.
De anti-China bril is beslagen
Kritiek wordt problematisch wanneer alleen die feiten worden geselecteerd die in een bestaand beeld passen. Een nieuwe kolencentrale is dan ineens het bewijs dat China niets verandert, terwijl honderden gigawatts nieuwe zonne- en windcapaciteit, enorme investeringen in opslag en netwerken en de snelle elektrificatie van transport en industrie nauwelijks worden meegenomen.
Hetzelfde geldt wanneer Chinese groene technologie uitsluitend wordt beschreven als een geopolitieke bedreiging. De concurrentie met Chinese bedrijven kan voor Europese industrieën reëel en soms problematisch zijn, maar voor de wereldwijde klimaatopgave heeft het ook betekenis dat zonnepanelen, batterijen en elektrische voertuigen goedkoper en op grote schaal beschikbaar zijn. Een goede samenwerking zou de energietransitie in Europa (en de hele wereld) alleen maar versterken. Het klimaat kijkt immers niet naar de nationaliteit van een zonnepaneel.
Wie naar China kijkt, moet naar het hele energielandschap kijken
Ember presenteert China niet als een groen paradijs en het rapport neemt de problemen rond steenkool bepaald niet weg. Wat het rapport wel duidelijk maakt, is dat het beeld van China als een land dat alleen maar kolen blijft verbranden steeds moeilijker vol te houden is.
De cijfers vertellen een ander verhaal. In 2024 kwamen er 278 gigawatt zonne-energie en bijna 80 gigawatt windenergie bij. Het aandeel wind en zon in de Chinese elektriciteitsproductie verdubbelde sinds 2020. Het overgrote deel van de groei van de elektriciteitsvraag werd in 2024 door schone energie opgevangen. Batterijopslag verdrievoudigde in drie jaar, de investeringen in schone energie liepen op tot ongeveer 625 miljard dollar en de elektrificatie van de economie zette stevig door.
China is dus nog altijd een enorme gebruiker van fossiele energie, maar tegelijkertijd een land dat op ongekende schaal een nieuw energiesysteem aan het bouwen is.
Daarom is de belangrijkste vraag niet of China nog kolencentrales bouwt. Dat weten we.
De belangrijkere vraag is welke ontwikkeling het snelst groeit en uiteindelijk de structuur van het energiesysteem bepaalt.
Wie die vraag stelt, ziet een China dat veel complexer is dan de misleidende foto van een kolencentrale. Het oude systeem is nog niet verdwenen, maar het nieuwe groeit op een schaal die de mondiale energiemarkt nu al verandert.
Wie China eerlijk wil beoordelen, hoeft daarvoor geen bewonderaar van Beijing te zijn. Het volstaat om naar het hele energielandschap te kijken.
