Het Chinese economische mirakel ontrafelen: lessen voor ontwikkelingslanden

Prof. Efe Can Gürcan

economische mirakel
afbeelding Friends of Socialist China (disclaimer)

Het Chinese economische mirakel ontrafelen (Inleiding en deel 1)

by externe bijdrage • 11 augustus 2022 • 0 Comments

Prof. Efe Can Gürcan

De inleiding en het eerste deel van een dossier over het ‘Chinese economische mirakel’. opgesteld door de Turkse professor Efe Can Gürcan* (Istinye Universiteit van Istanboel). Dit is een studietekst uit Volume 3 deel 2 van het magazine Belt and Road Initiative Quarterly (BRIQ). Hij werd overgenomen door Friends of Socialist China. Deze studietekst is verkrijgbaar als PDF . Vanwege de opiniërende inhoud, merken wij op dat de stellingen niet noodzakelijk de mening van de redactie weergeven.

Beknopte samenvatting

Ondanks enorme historische, demografische, geografische en geopolitieke tegenslagen heeft China een in de wereldgeschiedenis ongekend economisch succes behaald. In dit artikel willen wij de formule achter het historische economische succes van China ontcijferen en daaruit lessen trekken voor een nieuw beleid voor de ontwikkelingslanden die streven naar een gevorderd stadium van economische ontwikkeling.

Vier elementen voor succes

Op basis van een beschrijvende casestudy en statistieken kan het Chinese economische mirakel worden verklaard aan de hand van een viervoudige formule: a) een autocentrisch economisch model invoeren om de nationale autonomie te bevorderen en de gevolgen van buitenlandse inmenging te beperken; b) vasthouden aan het socialisme en het leiderschap van de Communistische Partij van China (CPC), wat strategische samenhang en langetermijnplanning mogelijk maakt om af te rekenen met de anarchie van de vrije markt; c) een door de staat aangestuurde industriële basis creëren, die wordt gestimuleerd door een nationaal wetenschaps- en technologiebeleid; en d) kiezen voor een evenwichtige benadering van ontwikkeling, gericht op een hogere sociaal-culturele en ecologische levenskwaliteit.

Mythes ontkrachten

De bevindingen van de studie helpen ook de mythes rond het Chinese wonder te ontkrachten, met name argumenten als “profiteren van goedkope arbeidskrachten” en “diefstal van technologie”, ” de buitenlandse investeringen en kapitalistische integratie”, ” het imperialisme”, en “het monster Mao”. 

Het Chinese economische mirakel ontrafelen: lessen voor ontwikkelingslanden

De term “het Chinese mirakel” duikt almaar meer op in ontwikkelingsstudies. Hij spreekt tot de verbeelding van ontwikkelingslanden die in het afgelopen decennium hebben gestreefd naar hoge niveaus van welvaart, levensstandaard en stabiliteit. De populariteit van de term heeft grotendeels te maken met het in de wereldgeschiedenis ongekende economische succes van het land (Zakaria, 2011; Gürcan 2021a) ondanks enorme historische, demografische, geografische en geopolitieke tegenslagen.

Erfenis

Vóór de socialistische revolutie in 1949 was China een van de armste landen ter wereld. In het vroege revolutionaire tijdperk kon het maar met veel moeite afrekenen met zijn verlammende halfkoloniale erfenis, die werd gekenmerkt door de middeleeuwse omstandigheden van zijn landbouweconomie en de zwakte van zijn industriële basis. China is qua bevolkingsomvang uitgegroeid tot het grootste land ter wereld en herbergt momenteel 22% van de wereldbevolking.

Grondstoffen

Ook de schaarste aan grondstoffen is een groot structureel probleem dat zijn ontwikkelingspotentieel beperkt. China bezit slechts 7% van het akkerland en de zoetwatervoorraden en 8% van de natuurlijke hulpbronnen van onze planeet. Slechts 19% van de oppervlakte is geschikt voor menselijke bewoning en 65% van de oppervlakte is rotsachtig en oneffen. Dit fnuikt in hoge mate de mogelijkheden voor landbouw en veehouderij en faciliteert etnische heterogeniteit die potentiële politieke cohesie kan belemmeren. (Morton, 2006; Naughton, 2018)

Geopolitieke omgeving

Ook de geopolitieke omstandigheden hypothekeren de economische ontwikkeling. Zo werd bijvoorbeeld het Chinese lidmaatschap van de Verenigde Naties tegengehouden tot in 1971 en greep de VS in de aangrenzende regio’s van China naar de wapens om de revolutie te verstikken. De huidige geopolitieke omstandigheden komen het scherpst tot uiting in de Amerikaanse beheersingsstrategie en de door de VS geleide handels- en technologieoorlog tegen China. (Gürcan, 2019; Gürcan, Kahraman & Yanmaz, 2021)    

Bron van inspiratie

Desondanks heeft China een voorbeeldig model van economische ontwikkeling uitgewerkt dat een groot deel van de ontwikkelingslanden inspireert. Sinds 1979 is China het enige land dat gevrijwaard is gebleven van economische crises. In de periode 1979-2018 boekte het land onder leiding van de Chinese Communistische Partij (CCP) een gemiddelde economische groei van 9,4%, wat het tot de op één na grootste economie ter wereld, de grootste producent en de grootste exporteur van technologische goederen maakte. (Hu, 2020) In 2015 produceerde China 40% van alle wasmachines, 50% van alle textiel, 60% van alle knopen, 70% van alle schoenen, 80% van alle televisies en 90% van alle speelgoed ter wereld.

Technologie – investeringen – duurzaamheid – armoedebestrijding

Recent heeft China aanzienlijke vooruitgang geboekt in de productie van goederen met een hogere toegevoegde waarde in onder meer de computer-, luchtvaart- en medische technologiesector. China is ook uitgegroeid tot ‘s werelds grootste kredietverstrekker van de ontwikkelingslanden, de op één na grootste investeerder in buitenlandse directe investeringen (BDI) en de grootste speler op het gebied van groene obligaties en kredieten. Met zijn bijdragen aan groene financiering heeft het wereldwijd een leidende positie veroverd in duurzame ontwikkeling. Onlangs heeft China zich ontpopt tot wereldleider op het gebied van groene mobiliteit: het land produceert de meeste elektrische bussen en is de grootste markt voor elektrische voertuigen en fietsen. Zijn status als ‘s werelds grootste producent van zonne-, wind- en hydro-elektrische energie hangt nauw samen met zijn reputatie als grootste investeerder ter wereld in duurzame energietechnologie. (Gürcan, 2021a) Naast zijn historische succes op het gebied van economische en ecologische ontwikkeling kan ook nog 70% van de uitroeiing van de wereldwijde armoede tussen 1990 en 2015 aan het Chinese economische mirakel toegeschreven worden. (Gardner, 2018).

Succesformule

In dit artikel ontcijferen we de formule achter het historische economische succes van China en geven belangrijke aanwijzingen voor ontwikkelingslanden die streven naar een geavanceerde fase van economische ontwikkeling. Het Chinese economische mirakel kan worden verklaard aan de hand van een viervoudige formule: a) een autocentrisch economisch model invoeren om de nationale autonomie te bevorderen en de gevolgen van buitenlandse inmenging te beperken; b) vasthouden aan het socialisme en het leiderschap van de Communistische Partij van China, wat strategische samenhang en langetermijnplanning mogelijk maakt om een einde te maken aan de anarchie van de vrije markt; c) een door de staat aangedreven industriële basis creëren, die gestimuleerd wordt door een nationaal wetenschaps- en technologiebeleid; en d) kiezen voor een evenwichtige benadering van ontwikkeling, gericht op een hogere sociaal-culturele en ecologische levenskwaliteit. Voor die formule zijn wij te werk gegaan volgens de methode van de beschrijvende casestudy, waarbij een intense historische studie wordt gemaakt van “één enkele gebeurtenis of fenomeen” door “de geschiedenis neer te schrijven ten behoeve van latere beleidsmakers” en te wijzen op “belangrijke analogieën die latere beoefenaars gebruiken om … werkbare strategieën te ontwikkelen”. (Odell, 2001: 162)

Historische ontwikkelingsfasen

Ons artikel is het resultaat van een diepgaande studie van het verschijnsel dat “het Chinese economische mirakel” wordt genoemd en trekt er lessen uit voor een nieuw beleid voor ontwikkelingslanden. Het artikel bestaat uit drie delen. Het eerste deel belicht het tijdperk van Mao Zedong, dat werd gekenmerkt door een centraal geplande economie en een big push-strategie. Het tweede gaat in op het tijdperk van Deng Xiaoping en Jiang Zemin, die vooral mikten op hervorming en openstelling. In het volgende deel verleggen we de aandacht naar het tijdperk van Hu Jintao en Xi Jinping en nemen het succes van China’s strategieën voor sociale ontwikkeling onder de loep. We zullen ook wijzen op de leidende rol van de staat in de economische ontwikkeling van het land en op de bijdrage van de staat aan innovatie en technologie.

Deel 1 De erfenis van Mao’s big push-strategie

De wortels van het Chinese economische wonder kunnen worden teruggevoerd tot de beginfase van de Chinese revolutie onder leiding van Mao (1949-1976). Zijn leiderschap koos voor wat we een “big push-strategie” zouden kunnen noemen: snelle industrialisatie om gezwind de westerse mogendheden in te halen die China ooit in een halfkolonie hadden veranderd. Die strategie berust op centrale planning waarbij de staat “de maximaal haalbare investeringen kanaliseert naar de zware industrie” en “besparingen en investeringen mobiliseert en de consumptie van vandaag opoffert ten gunste van toekomstige generaties” (Naughton, 2018: 65). Het big push-model als economische term die ook voor andere landen kan gehanteerd worden, kwam het duidelijkst tot uiting in de Chinese context onder de naam “De grote sprong voorwaarts”, die deel uitmaakte van het Tweede Vijfjarenplan (1958-1962). In het algemeen voldeed de periode tussen het Eerste Vijfjarenplan en het Vijfde Vijfjarenplan (1953-1980) grotendeels aan het big push-model:

Vijfjarenplannen

In 1953 lanceerde de centrale regering haar Eerste Vijfjarenplan (1953-1957) dat China moest omvormen van een landbouwland tot een geavanceerd industrieland met nadruk op de ontwikkeling van de zware industrie. In de volgende vijf vijfjarenplannen ging de aandacht dan ook naar de landbouw- en industriële ontwikkeling. Het Tweede Vijfjarenplan (1958-1963) zette de industriële ontwikkeling voort met het accent op de zware industrie. De belangrijkste taken van het Derde Vijfjarenplan (1966-1970) waren de ontwikkeling van de landbouw en de versterking van de basisindustrieën. In het Vierde (1971-1975) werden doelstellingen vastgelegd voor de productie van landbouw en industrie en investeringen in infrastructuur. Het Vijfde Vijfjarenplan (1976-1980) moest een onafhankelijk en relatief compleet industrieel systeem opbouwen. (CGTN, 2020)

Mao’s erfenis correct beoordelen

Enige voorzichtigheid is hier geboden. De geschiedenis als academische discipline is een krachtig instrument om te leren van de vroegere strijd en successen van de mensheid. (Gürcan, 2008) Als we echter handelingen uit het verleden zouden beoordelen aan de hand van de morele maatstaven van vandaag, zouden we de wetenschappelijke waarde van de geschiedenis teniet doen en de weg bereiden voor misleidende analogieën. Het China onder leiding van Mao was hier niet immuun voor. Zoals Barry J. Naughton zegt, geloofden daarom “veel mensen ten tijde van de geboorte van de Volksrepubliek China dat die [big push-strategie] de beste aanpak voor ontwikkeling was”, ondanks de menselijke kosten (Naughton, 2018: 65). Niettemin was het uiteindelijke resultaat van die strategie een historisch economisch succes, dat de huidige beleidsmakers informatie kan verschaffen over de invoering van door de overheid aangestuurde of door de staat gestuurde economische ontwikkelingsmodellen, die weliswaar opnieuw moeten worden ontworpen in overeenstemming met de morele normen van vandaag. Wij wijzen er ook op dat het huidige Chinese economische beleid nog altijd gebaseerd is op Mao’s erfenis van grootschalige en ver doorgedreven industrialisatie.

Socialisme met Chinese kenmerken

Mao’s strategie van economische ontwikkeling berustte op de beginselen van het “socialisme met Chinese kenmerken” (有中国特色的社会主义). Die beginselen gaan uit van de veronderstelling dat universele modellen of algemeen aanvaarde normen “gecombineerd moeten worden met specifieke nationale kenmerken en een welbepaalde nationale vorm moeten krijgen, willen ze bruikbaar zijn” (Mao, 1967: 61) en dat geldt ook voor de bruikbaarheid van economische ontwikkelingsstrategieën . Met die principes in het achterhoofd riep Mao op om de dogmatische interpretaties en boekenwijsheid op te geven door “de waarheid te zoeken in de feiten” en tegelijk te leren van de fouten en successen uit het verleden. Mao’s “socialisme met Chinese kenmerken” is dus een oproep om de socialistische beginselen te integreren in de historische bijzonderheden en veranderende realiteiten van het land. (Mao, 1971; Gürcan, 2008) Dit kader moedigde latere Chinese beleidsmakers aan om een endogeen economisch model te creëren op basis van het socialisme. (Naughton, 2018; Currie-Alder, 2014; Harrison, 2020)

Vooruitgang

De big push-strategie van Mao stimuleerde zware investeringen in zowel fysiek als menselijk kapitaal. Dat leidde niet alleen tot aanzienlijke wetenschappelijke, technologische en industriële vooruitgang. Voor de allereerste keer in de geschiedenis van het land kon ook een meerderheid van de Chinese bevolking genieten van de openbare stelsels van gezondheidszorg en onderwijs. Er werd een gecentraliseerd wetenschaps- en technologiesysteem op poten gezet voor de mobilisatie van wetenschappers en ingenieurs die het menselijk kapitaal vormden dat nodig was voor de snelle industrialisatie. (Naughton, 2018; Currie-Alder, 2014; Harrison, 2020) China lanceerde zijn Eerste Vijfjarenplan in 1953. Vóór de uitvoering van dit plan was China overwegend een agrarisch land. De bijdrage van de industrie aan het bruto binnenlands product (bbp) bedroeg slechts 20%, wat het kleinste aandeel in de economie was. In de periode 1952-1978 groeide de Chinese economie gemiddeld met 6% terwijl de gemiddelde groei van de industriële productie 11,5% bedroeg. (Naughton, 2018; Chan, 2018; Dollar, Huang & Yao, 2020) Dankzij de big push-strategie met haar beleid van besparingen en individueel beperkte consumptie kon de industrie in de tweede helft van de jaren zeventig de landbouw inhalen en de dienstensector de grootste sector worden met een aandeel van 46% in de economie. (Dollar, Huang & Yao, 2020) De sociale vooruitgang in de volksgezondheid en het onderwijs duwde dan weer de gemiddelde levensverwachting omhoog van 25 jaar in 1931 tot 63-66 jaar in 1956. (Kiely, 2015)

De strategie van hervorming en openstelling in het tijdperk na Mao

De beleidsmakers uit de vroege fase van de Chinese Revolutie waren ervaren revolutionairen die met succes een langdurige revolutionaire strijd hadden gevoerd. Het ontbrak hen echter aan ervaring en kennis op het gebied van politieke en economische staatkunde. Het werd een proces van vallen en opstaan waarin onvermijdelijk fouten werden gemaakt. De aanzienlijke voordelen van de “big push”-strategie kunnen daarom niet genoeg benadrukt worden. Zij waren een springplank voor het Chinese economische mirakel om een sterke fysieke en menselijke infrastructuur voor het socialisme op te bouwen. Aan het eind van de jaren zeventig echter werd het duidelijk dat de big push-strategie van de beleidsmakers met hun neiging tot onstuimigheid en overhaaste vooruitgang naar een snelle industrialisatie op langere termijn niet houdbaar was. Bovendien bleek aan het eind van de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig dat het Sovjetrussische ontwikkelingsmodel op apegapen lag. De stagnerende economie in combinatie met de vervreemding die volgde op de breuk met China maakten dat de Chinezen zich begonnen af te vragen of het Sovjetmodel nog wel een haalbare kaart was. In die context groeide bij de beleidsmakers het besef dat hun land zich nog altijd in de beginfase van de socialistische opbouw bevond en dat die situatie langer zou duren dan verwacht. Dat had onder andere te maken met de gestage teloorgang van de internationale communistische beweging en de komst van de kapitalistische globalisering in het kader van de Derde Industriële Revolutie. Het nieuwe Chinese leiderschap rond Deng had een geheel nieuw kader nodig om de economie te mobiliseren door te profiteren van de globalisering en de legitimiteit van zijn economisch model te waarborgen na het machtsvacuüm dat was ontstaan door de dood van Mao. Volgens de Chinese beleidsmakers was dit een levensvatbaar alternatief om snel de Sovjet-Unie voorbij te streven en het Westen in te halen zonder de binnenlandse stabiliteit op te offeren. 

Dengs blauwdruk

Eind jaren zeventig stelde Deng voor Mao’s theoretische bijdrage aan het “socialisme met Chinese kenmerken” nog grondiger uit te werken en een blauwdruk op te stellen voor China’s modernisering. Daarvoor moest de focus verlegd worden van de klassenstrijd naar de fundamentele taak van de uitbreiding van de productiekrachten, die worden beschouwd als het “fundament” van het Chinese socialisme. (Deng, 1987: 17; Gürcan, 2021b) In zijn oorspronkelijke opzet gaat deze blauwdruk uit van het argument dat “economische ontwikkeling ons hoofddoel is en al het andere daaraan ondergeschikt moet worden gemaakt”, naar Mao’s latere formule in “Een kritiek op de Sovjeteconomie”. (Deng, 1987:116; Mao, 1977) Belangrijk hier is dat die formule een vroeger kader biedt voor het staatskapitalisme en de modernisering: “Naast de modernisering van industrie en landbouw, wetenschap en cultuur moeten we ook de nationale defensie moderniseren” (Mao, 1977: 65).  Dengs blauwdruk, die trouw bleef aan Mao’s leer over de “Vier Moderniseringen”, bestaat uit “één aandachtspunt” (de economische opbouw is gericht op de ontwikkeling van landbouw, industrie, defensie en wetenschap en technologie, ook bekend als de “Vier Moderniseringen”) en “twee basispunten”, namelijk: a) de handhaving van de “vier kardinale beginselen” (de handhaving van het socialisme, de democratische dictatuur van het volk, het leiderschap van de CCP en de Gedachte Mao Zedong), en b) het beleid van hervorming tot en openstelling voor een systeem van marktsocialisme dat geïntegreerd is in de wereldeconomie. (Deng, 1984: 187-188; Wu, 1996; CPC, 1991; Gürcan, 2021b)

Markt en planning

Belangrijk is dat Dengs hervormingsstrategie niet voortkomt uit een neoliberaal perspectief van marktfundamentalisme. Met de gemeenschappelijke welvaart en de sturing van de economie door de staat in gedachten, pleitte Deng veeleer voor de versnelling van “buitenlands investeringskapitaal op een geplande manier … [door] de ontwikkeling van de socialistische economie als geheel te dienen”. (Deng, 1984: 96) Hij volgde daarmee Mao’s (1961: 413) motto “alleen modernisering zou China kunnen redden, alleen leren van het buitenland zou China kunnen moderniseren”. Hij verwierp ook het idee “dat de markt kapitalistisch is en alleen planning socialistisch”. (Deng, 1984: 136) Hij geloofde dat zowel planning als markten konden ingezet worden in dienst van het socialistisch systeem, waarvan de essentie ligt in de “bevrijding en ontwikkeling van de productiekrachten, de uitroeiing van uitbuiting en polarisatie, en de uiteindelijke verwerving van welvaart voor allen”. (Deng, 1984: 243)  Die doelstellingen kunnen echter alleen “stap voor stap” worden verwezenlijkt, ondanks de complexiteit en tegenstrijdigheid onderweg: “Als de omstandigheden het toelaten, kunnen sommige gebieden zich sneller ontwikkelen dan andere; de gebieden die zich sneller ontwikkelen kunnen de vooruitgang van de achterblijvende gebieden bevorderen totdat alle gebieden welvarend worden.” (Deng, 1984: 244)

Decentralisatie

Deng realiseerde zich dat China te groot was voor een efficiënte doorvoering van de centrale planning in elke sector van de economie. Daarvoor was een minder gecentraliseerde planning nodig. (Naughton, 2018) Met de decentralisatie van de landbouw en de geleidelijke privatisering van de industrie luidde China het tijdperk van hervorming en openstelling in, terwijl “de industriële basis van [China] werd opengesteld voor buitenlandse ondernemers … [op basis van] zeer strikte richtlijnen die buitenlandse ondernemers moesten volgen”. (Marino, 2018:42) Zo wilden de Chinezen op langere termijn profiteren van directe buitenlandse investeringen om kapitaal en technologische kennis over te dragen via exportgerichte strategieën. (Marino, 2018). Hervorming en openstelling moesten dus dienen als vehikels voor de invoering van een autocentrisch model van door de staat gestuurde ontwikkeling, zonder het marktfundamentalisme en de economische afhankelijkheid van het Westen op te geven.

Jiang Zemin en de geopolitiek

Het tijdperk van Jiang (1993-2002) viel samen met een periode van galopperende globalisering en unipolarisering van de wereldpolitiek onder leiding van de VS. (Gürcan, 2019; Gürcan, 2021b) Volgens de KOF Globaliseringsindex – die rekening houdt met de economische, sociale en politieke aspecten van de globalisering – is de globaliseringsscore van de wereld bijna gestaag gestegen van 38,43 in 1970 tot 53,37 in 2002. (KOF Globalisering, 2020) In dit tijdperk vormde Jiangs theorie van de “Drie vertegenwoordigingen” het politieke en economische kader van China. Die theorie beklemtoont dat de CPC altijd “de vereisten van de ontwikkeling van China’s geavanceerde productiekrachten, de oriëntatie van de ontwikkeling van China’s geavanceerde cultuur en de fundamentele belangen van de breedste massa’s van het Chinese volk” moet vertegenwoordigen. (Jiang, 2002: 8). Het onderdeel “geavanceerde productiekrachten” gaat terug op Dengs visie op modernisering. (Jiang, 2002: 183) In overeenstemming met Jiangs theorie evolueerde de Chinese economie naar een socialistische markteconomie met publieke eigendom als belangrijkste vorm. Publieke eigendom betekent hier meer dan louter staatseigendom. Het gaat dus niet alleen om staatsondernemingen maar ook om bedrijven in collectieve eigendom en verschillende vormen van gemengde eigendom zoals coöperatieve bedrijven en “aandelen in particuliere en buitenlandse ondernemingen die in handen zijn van staatsbedrijven en collectieve bedrijven”. (Wang, 2011: 459) In 2000 lanceerde China daarom een “going-out”-strategie “met als doel Chinese bedrijven te vestigen als mondiale spelers, dus ook staatsbedrijven en de commerciële staatsbanken”. (Yueh, 2018: 114)

Geavanceerde cultuur

Voor de component “geavanceerde cultuur” had Jiang de ontwikkeling van een nationale cultuur op het oog die “geestelijke en intellectuele ondersteuning biedt voor economische ontwikkeling” in overeenstemming met waarden als zelfredzaamheid, concurrentie, efficiëntie, democratie en innovatie. (Jiang, 2002:188-189) En voor de “breedste massa’s” wilde Jiang “de uitgestrekte gebieden van de samenleving en een groeiende markt onder het solide en daadwerkelijke leiderschap van de Partij brengen”. (Jiang, 2002: 16) Jiang wou zijn visie realiseren door “partijopbouw in niet-staatsbedrijven” aan te moedigen en uit te breiden naar “particuliere ondernemers”. (Jiang, 2002: 21-23)

Groei, verbetering sociaal welzijn, herstel milieu,

In die periode kende China een snelle economische groei en industrialisatie, die leidde tot een daling van de inkomensongelijkheid, het herstel van de milieuschade en een verbetering van het sociale welzijn naar het einde van de jaren negentig toe. Om maar iets te noemen: de geschatte GINI-scores van China klommen van 0,33 in 1980 naar 0,35 in 1990 en 0,4 in 2000. (Chen et al., 2010: 20; Gürcan, 2021b) Om die uitdagingen het hoofd te bieden richtte het Tiende Vijfjarenplan (2001-2005) zich op de regionale ongelijkheid, de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, de uitbreiding van het bosareaal, de verhoging van het besteedbare inkomen, de versnelde ontwikkeling van de infrastructuur en de verbetering van de medische dienstverlening (China Daily, 2011). Ook belangrijk is de nadruk die het Tiende Vijfjarenplan legde op de overheidssector: “Het eigendomsstelsel moet verder worden verbeterd. We moeten de dominantie van de publieke sector in de economie handhaven, de staatssector de hoofdrol laten spelen, verschillende vormen van collectieve ondernemingen uitwerken en de gezonde ontwikkeling van particuliere en individuele sectoren van de economie ondersteunen, aanmoedigen en aansturen.” (Zhu, 2001) Intussen had China in totaal 120 strategische ondernemingen geselecteerd die in aanmerking kwamen voor overheidssteun. Ze werden beschouwd als “nationale kampioenen” die spoedig “wereldspelers” zouden worden en waren meestal actief in strategische takken als elektriciteit, steenkool, auto’s, elektronische apparaten, farmaceutica, vervoer, luchtvaart en informatietechnologie. (Kiely, 2015)

foto: https://iisbf.istinye.edu.tr/
disclaimer

Efe Can Gürcan*  is Associate Professor verbonden aan de Turkse Istinye Universiteit van Istanboel. Zijn artikel Het Chinese economische mirakel ontrafelen: lessen voor ontwikkelingslanden verscheen in het Engels op de website Friends of Socialist China. (FoSC) Wij nemen het over met toestemming van de auteur en van FoSC.

Met dank aan de ploeg die instond voor de coördinatie, vertaling en revisie: Pierre Braun, Erwin Carpentier, Lieve Copers, Nina Delaye en Marina Mommerency..

Print Friendly, PDF & Email

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.