Europa zoekt een zondebok voor zijn industriële achteruitgang

Ng Sauw Tjhoi (*opinie)

“China blijft een cruciale partner, maar de huidige handels- en investeringsrelatie is onhoudbaar.”

Met die opmerkelijke formulering sloot de Europese Commissie op 24 mei een intern oriëntatiedebat over de betrekkingen met China af. Volgens Brussel raken economische en veiligheidsbelangen steeds meer verweven en is daarom een “krachtigere en samenhangendere aanpak” nodig.¹

Die uitspraak verdient enige nuance.

De Chinese minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi, en Kaja Kallas, hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, op 2 juli 2025 in België, de 13e ronde van de strategische dialoog op hoog niveau tussen China en de EU. (disclaimer  foto/Xinhua via www.gov.cn)

Want wat bedoelt Europa precies wanneer het de huidige relatie met China “onhoudbaar” noemt? Is de relatie onhoudbaar omdat China te veel exporteert? Omdat Europa een handelstekort heeft? Of omdat Europa steeds moeilijker kan concurreren met een land dat de voorbije twintig jaar systematisch heeft geïnvesteerd in industrie, infrastructuur, onderzoek en technologische ontwikkeling?

Achter de Europese bezorgdheid schuilt een ongemakkelijke realiteit: veel van de problemen die vandaag aan China worden toegeschreven, zijn in belangrijke mate het gevolg van Europese keuzes.

Europa heeft een schuldige gevonden voor zijn economische problemen: China.

Van Brussel tot Berlijn klinkt dezelfde boodschap. Chinese elektrische auto’s, batterijen, zonnepanelen en staal zouden de Europese industrie kapot concurreren. Daarom volgen invoerheffingen, quota en handelsbeperkingen elkaar in snel tempo op. Volgens de Europese Commissie moeten die maatregelen Europa beschermen.¹

Maar dat verhaal houdt geen stand.

De grootste bedreiging voor de Europese industrie bevindt zich niet in Beijing. Ze bevindt zich in Europa zelf.

De Europese Unie heeft vandaag een handelstekort met China van bijna 360 miljard euro.² Dat cijfer wordt voortdurend aangehaald als bewijs dat China oneerlijk speelt. Maar een handelstekort zegt weinig over de werkelijke oorzaak van het probleem.

De echte vraag is waarom Europa steeds meer producten moet invoeren, terwijl China uitgroeide tot de grootste industriële macht ter wereld.

Het antwoord ligt niet in China.

Het ligt in twintig jaar Europees wanbeleid.

Terwijl China investeerde, desinvesteerde Europa. Terwijl China fabrieken bouwde, sloot Europa ze. Terwijl China een industriële strategie ontwikkelde, geloofde Europa dat de markt alles vanzelf zou oplossen.

De gevolgen zijn zichtbaar.

In Frankrijk daalde het aandeel van de industrie in de economie van meer dan 20 procent begin jaren tachtig naar ongeveer 10 procent vandaag. In Duitsland verdwenen alleen al het voorbije jaar meer dan 120.000 industriële banen. Overal in Europa verhuisde productie naar het buitenland. Financiële diensten, vastgoed en consumptie kregen voorrang op industrie.

China deed het tegenovergestelde.

Sinds 2000 investeerde Beijing duizenden miljarden euro’s in havens, spoorwegen, energievoorziening, onderzoek, universiteiten en industrie.

Vandaag produceert China meer dan de helft van al het staal ter wereld. Het bouwt meer dan 55 procent van alle schepen. Het produceert ongeveer 60 procent van alle elektrische voertuigen en meer dan 80 procent van alle zonnepanelen.³

Volgens cijfers van de Verenigde Naties is China goed voor ongeveer 30 procent van de wereldwijde industriële productie, meer dan de Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Zuid-Korea en het Verenigd Koninkrijk samen.

Dat gebeurde niet toevallig. Het kon gebeuren omdat China gedurende meer dan twintig jaar een duidelijke industriële strategie volgde. Europa had die niet.

Nergens wordt dat duidelijker dan op het vlak van energie.

De energiecrisis heeft veel meer schade toegebracht aan de Europese industrie dan Chinese export ooit heeft gedaan.

Voor 2022 betaalden veel Duitse bedrijven minder dan 30 euro per megawattuur aardgas. Tijdens de energiecrisis liep dat op tot meer dan 300 euro. Ook vandaag betalen veel Europese bedrijven nog altijd twee tot vier keer meer voor energie dan hun concurrenten in China of de Verenigde Staten.

Chemiebedrijven verminderen hun productie. Kunstmestfabrieken draaien op een lager pitje. Staalbedrijven verliezen concurrentiekracht. Producenten van glas, papier en aluminium verplaatsen investeringen naar landen waar energie goedkoper is.

Dat BASF vandaag meer investeert in nieuwe productiecapaciteit in China dan in Duitsland is geen gevolg van Chinese dumping. Het is het resultaat van Europese keuzes. Wanneer energie in Europa twee tot vier keer duurder is dan in China of de Verenigde Staten, vergunningen jaren aanslepen en investeringen in infrastructuur achterblijven, zoeken bedrijven logischerwijs locaties waar zij competitief kunnen produceren.

Toch weigeren veel Europese leiders die realiteit onder ogen te zien. In plaats van de eigen fouten te analyseren, richten zij hun blik op een externe zondebok: China.

Zo dreigt Europa dezelfde fout te maken als de Verenigde Staten onder Donald Trump. Toen Trump in 2018 zijn handelsoorlog tegen China lanceerde, beloofde hij dat invoerheffingen Amerikaanse fabrieken zouden doen terugkeren en miljoenen industriële banen zouden creëren. Honderden miljarden dollars aan Chinese producten werden belast.

De werkelijkheid pakte anders uit.

Amerikaanse consumenten betaalden hogere prijzen voor tal van producten, van huishoudtoestellen tot bouwmaterialen. Amerikaanse bedrijven zagen hun productiekosten stijgen omdat zij afhankelijk waren van ingevoerde onderdelen uit China. Veel productie keerde niet terug naar de Verenigde Staten, maar verhuisde naar landen als Vietnam, Mexico, India en Thailand. Het Amerikaanse handelstekort bleef bestaan en bereikte in verschillende jaren zelfs recordniveaus.

Daarbij wordt vaak vergeten dat de zogenaamde “China Shock” niet alleen verliezers kende. Volgens de Amerikaanse econoom Jason Furman profiteerde uiteindelijk 85 tot 95 procent van de Amerikanen van de handel met China via lagere prijzen voor duizenden consumptiegoederen.⁸ Onderzoek toont bovendien aan dat Chinese invoer de levensduurte drukte en vooral gezinnen met lage en middeninkomens honderden dollars per jaar bespaarde. Ook grote Amerikaanse bedrijven profiteerden massaal van goedkopere onderdelen, lagere productiekosten en hogere winstmarges. Bedrijven als Apple, Walmart, Tesla, Nike en tal van industriële ondernemingen bouwden mee op de efficiënte Chinese productieketens die hen wereldwijd competitiever maakten.

De kosten van de China Shock waren reëel en vaak geconcentreerd in bepaalde industriële regio’s, maar de voordelen werden verspreid over honderden miljoenen consumenten en duizenden bedrijven.

China bezweek intussen niet onder de druk. Integendeel.

Beijing gebruikte de handelsoorlog als stimulans om sneller te investeren in strategische sectoren. De ontwikkeling van halfgeleiders, batterijen, elektrische voertuigen, artificiële intelligentie en hernieuwbare energie werd versneld.

Bedrijven als BYD groeiden uit tot wereldspelers. China werd marktleider in batterijen en zonnepanelen en bouwde zijn technologische onafhankelijkheid verder uit.³ Wat bedoeld was om China af te remmen, hielp het land uiteindelijk zijn eigen industriële basis verder te versterken.

Dat maakt de huidige Europese koers des te opmerkelijker.

Acht jaar na het begin van de Amerikaanse handelsoorlog bestaat er nog altijd geen overtuigend bewijs dat de tarieven de Amerikaanse industrie hebben gered. Toch lijken Europese leiders een gelijkaardige strategie te willen kopiëren.

Dat is economisch onverstandig en politiek kortzichtig.

Nog opvallender is de tegenstrijdigheid van het Europese beleid. Europa wil de energietransitie versnellen, maar viseert tegelijk precies de technologieën die die transitie betaalbaar hebben gemaakt.

Sinds 2010 daalde de prijs van zonnepanelen met meer dan 90 procent en die van batterijen met ongeveer 85 procent. Dat was in belangrijke mate mogelijk dankzij Chinese schaalvergroting, massaproductie en technologische innovatie.

Zonder die ontwikkeling zouden zonnepanelen, thuisbatterijen en elektrische auto’s vandaag veel duurder zijn voor Europese gezinnen, bedrijven en overheden. Door invoerheffingen op dergelijke producten te verhogen, maakt Europa zijn eigen klimaatdoelstellingen moeilijker én duurder.

De kern van het probleem ligt immers niet in China, maar in de groeiende achterstand van Europa zelf.

China investeerde in 2024 meer dan 700 miljard dollar in onderzoek en ontwikkeling, ongeveer evenveel als de volledige Europese Unie samen.¹⁰ Het land levert jaarlijks miljoenen afgestudeerden af in wetenschap, technologie, engineering en wiskunde. Het bouwde het grootste netwerk van hogesnelheidsspoorwegen ter wereld, moderniseerde zijn havens, ontwikkelde geavanceerde industriële clusters en investeerde tientallen jaren consequent in strategische sectoren.

Europa kampt ondertussen met hoge energiekosten, versnipperde markten, trage vergunningen, een tekort aan technisch personeel en een stagnerende productiviteitsgroei.

Geen enkele invoerheffing zal die problemen oplossen.

Handelstarieven en economische barrières bouwen geen nieuwe fabrieken, leiden geen ingenieurs op en creëren geen innovatie. Ze kunnen hooguit tijdelijk bescherming bieden aan bepaalde sectoren, maar ze maken een economie niet sterker.

Dat is de ongemakkelijke waarheid die veel Europese leiders liever niet willen horen.

China heeft de Europese energiekosten niet verviervoudigd. China heeft Nord Stream niet opgeblazen. China heeft geen twintig jaar Europese de-industrialisering veroorzaakt. De belangrijkste oorzaken van die verzwakking liggen dichter bij huis.

Daarom is de huidige hetze tegen Chinese producten zo misleidend. Ze leidt de aandacht af van de fundamentele problemen die Europa zelf moet oplossen. Ze creëert een externe vijand waar zelfkritiek nodig is. Ze vervangt een ernstig debat over energie, industrie en innovatie door politieke slogans.

De geschiedenis leert nochtans telkens opnieuw dezelfde les. Grote economische machten worden niet succesvol door concurrenten uit te sluiten. Ze worden succesvol door beter te worden dan hun concurrenten, door te investeren in onderzoek, onderwijs, infrastructuur, innovatie en industriële capaciteit.

China heeft die les de voorbije twintig jaar toegepast. Europa lijkt haar steeds vaker te vergeten.

Laat dit niet gelezen worden als een vrijgeleide voor oneerlijke handelspraktijken of voor tekortkomingen van bepaalde Chinese producten en ondernemingen. Waar dumping of marktverstorende subsidies bewezen worden, moeten die worden aangepakt. Maar wie alle Europese problemen op China afschuift, vermijdt vooral een debat over de eigen tekortkomingen.

De toekomst van de Europese industrie zal niet worden beslist in Beijing. Ze zal worden beslist in Brussel. Niet door wat China doet, maar door wat Europa bereid is te veranderen.

Bronnen

1. Europese Commissie – EU-China handelsrelaties en verklaring na het oriëntatiedebat van mei 2026

https://policy.trade.ec.europa.eu/eu-trade-relationships-country-and-region/countries-and-regions/china_en

2. Eurostat – China-EU International Trade Statistics

https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=China-EU_-_international_trade_in_goods_statistics

3. ChinaPower (CSIS) – China’s Manufacturing Dominance

https://chinapower.csis.org/china-manufacturing-powerhouse

4. UNIDO – World Manufacturing Statistics

https://stat.unido.org

5. International Energy Agency (IEA) – Energy Market Reports

https://www.iea.org

6. BASF – China Operations and Investments

https://www.basf.com/global/en/who-we-are/organization/locations/asia-pacific/china

7. Reuters – Impact of Trump’s Tariffs on Trade and Manufacturing

https://www.reuters.com/world/china

8. Jason Furman (Harvard Kennedy School) & NBER Research on China Trade

https://www.hks.harvard.edu/faculty/jason-furman

https://www.nber.org/topics/china-trade

9. IEA – Solar PV Global Supply Chains; Batteries and Secure Energy Transitions

https://www.iea.org/reports/solar-pv-global-supply-chains

https://www.iea.org/reports/batteries-and-secure-energy-transitions

10. OECD Science, Technology and Innovation Indicators; World Bank R&D Data

https://www.oecd.org/sti/msti.htm

https://data.worldbank.org

Het bovenstaande artikel is van Ng Sauw Tjhoi, voormalig VRT-journalist, hoofdredacteur China Vandaag.
*Standpunten in opiniestukken zijn niet noodzakelijk identiek aan de redactionele lijn van ChinaSquare. De verantwoordelijkheid voor de inhoud ligt bij de auteur.

Lees over de verhouding van Europa met China ook:
‘Protectionisme ondermijnt China-EU samenwerking’
en
Panelgesprek over Europa en China georganiseerd door MO*
of
Kan China Europa vertrouwen?