Het Britse liberale economisch tijdschrift The Economist publiceert geregeld kritische artikels over China. Maar hoe betrouwbaar is het gereputeerde tijdschrift? Recente reacties in De Standaard en op de site vanFriends of Socialist Chinawijzen in de richting van wankelende vooroordelen

‘Is de reputatie van The Economist wel gerechtvaardigd, afgaande op zijn journalistiek?’
De vraag komt deze keer niet van een linkse activist maar sluit een artikel in de burgerlijke krant De Standaard. Op 20 augustus publiceerde die krant commentaar bij een frontale aanval van The Economist op de Nobelprijswinnaar economie in 2024, topeconomist Daron Acemoglu.
‘Kwaadwillige bedoelingen’?
In de recentste editie poneert The Economist dat Acemoglu zijn status niet verdient en stelt de vraag:’Waarom wordt hij zo vereerd?’ Als argumenten geeft het blad enkel een aantal negatieve kritieken van anonieme of weinig bekende academici. De argumenten zijn dusdanig zwak dat professor Ives Marx het ‘heel merkwaardig’ noemt. Economisch publicist Lode Cossaer noemt het ‘een vreemd artikel dat met kwade bedoelingen geschreven lijkt te zijn’.
Het gaat niet om een uitschuiver van een redacteur, want The Economist neemt het artikel op in een selectie van blikvangers die niet achter de betaalmuur staan.
Verdraagt liberalisme terechte kritiek?
Wat zit dan wel achter de aanval? Geert Langenus, econoom bij de Nationale bank, vraagt zich af of er een band is met het nieuwste boek van Acemoglu :’ Wat is er gebeurd met de liberale democratie?’. Daarin is hij kritisch voor het liberalisme, het uithangbord van The Economist; volgens hem is dat onvoldoende opgewassen tegen uitdagingen zoals ongelijkheid, sociale ontwrichting en de digitale samenleving.
Een andere piste op sociale media is Acemoglu’s kritische houding tegenover AI, wat hem bij de grote technologiebedrijven geen vrienden oplevert.
De vooroordelen van een ‘kwaliteitsmedium’ als The Economist komen dan wel in De Standaard wanneer het over een vooraanstaande economist gaat, voor het aantonen van de negatieve vooroordelen die het aanwakkert rond China moeten we bij alternatieve media zoals Friends of Socialist China zijn.
Niet te ontkennen ecologisch succes
De website Friends of Socialist China reageert op artikels van 27 en 28 juli van The Economist over het visverbod op de Yangtze.
The Economist schrijft dat de vismassa in de Yangtze sinds 2021 met meer dan 200 procent gestegen is, na een daling gedurende zeven decennia. Een zeldzame steursoort heeft voor het eerst in twintig jaar weer in het wild gepaaid en het aantal bruinvissen neemt weer toe, van het dieptepunt van 1.000 in 2017 tot 1.400 nu.
De gegevens komen uit een onderzoek door vorsers uit China, Canada, de VS en Frankrijk, waarvan de conclusies gepubliceerd zijn in Science.
Hoe is diteclatant succes behaald? Door een tien jaar durend verbod op commerciële visserij in de hele rivier, de belangrijkste zijrivieren en de meren in het stroomgebied – het grootste moratorium op zoetwatervisserij ooit. Duizenden chemische fabrieken werden gesloten of verplaatst. Er werden bossen aangeplant in de bovenloop om de bodem vast te houden. Steden werden sponzen,met kunstmatige wetlands en waterdoorlatende oppervlakken om regenwater te absorberen en te filteren. En zo’n 200.000 vissers werden van het water gehaald, gecompenseerd en omgeschoold voor ander werk. Een rivier die dreigde te sterven, komt weer tot leven.
Het Yangtze-programma is een onderdeel van China’s strategie voor ecologische beschaving, in 2018 opgenomen in de grondwet en nagestreefd met dezelfde instrumenten die de Chinese economie ondersteunen: langetermijnplanning, massale publieke investeringen en een staat die in staat is om kortetermijnbelangen van particulieren te negeren in naam van het collectieve belang. Het is diezelfde methode die China tot wereldleider heeft gemaakt op het gebied van hernieuwbare energie, herbebossing en elektrisch vervoer.
Maar tegen welke prijs?
Na dit alles te hebben gerapporteerd, zoekt The Economist naar een manier om het sinister te laten klinken. ‘De Chinese Communistische Partij, ooit berucht om haar plundering van de natuur, is nu begonnen met het beschermen van delen ervan’, geeft het tijdschrift toe alvorens te waarschuwen dat de ‘eco-autoritaire’ aanpak van het land, ‘van bovenaf opgelegd en intolerant voor verzet’, ‘onderzoek verdient alvorens te worden nagevolgd’.
Deze framing leidt meteen tot verontwaardiging. China is te blameren omdat het niet luistert naar de vissers – die wilden blijven vissen – en naar milieuactivisten – die minder dammen willen.
Eenmaal een ‘betrouwbare’ opiniemaker als The Economist het voortouw genomen heeft, is de toon gezet in vele media wereldwijd
De veroordeling van stuwdammen is veelzeggend: waterkracht is niet alleen koolstofvrij, maar ook goed regelbaar. Ze kan naar behoefte worden opgeschaald en kan onvoldoende wind- of zonne-energie compenseren. Ze levert zo reservecapaciteit die anders van steenkool zou moeten komen. Het absoluut afwijzen ervan, zonder te zeggen hoe de reserve-elektriciteit dan wel moet opgewekt worden, is in de praktijk neigen naar fossiele brandstoffen.
Moeten we concluderen dat The Economist gelukkiger zou zijn met de status quo van een stervende rivier, een instortende visserij, een diersoort op de rand van uitsterven en een klimaatcrisis die verergert door het falen van de decarbonisering?
‘Maar tegen welke prijs?’ is een typische reflex van een wereldbeeld dat wankelt wanneer wordt erkend dat een socialistisch land het Westen overtreft op zowel ecologisch als economisch gebied.
Bronnen: De Standaard, Friends of Socialist China, The Economist
