In 2024 richtten Niger, Burkina Faso en Mali samen de Alliantie van Sahellanden op. Tegelijk begonnen ze zich terug te trekken uit het CFA-frankstelsel. Daarmee dagen ze voor het eerst en rechtstreeks de tachtigjarige monetaire afhankelijkheidsrelatie met Frankrijk uit. Intussen liep het handelsvolume tussen China en Afrika in 2025 op tot meer dan 348 miljard dollar. Zo bleef China voor het zeventiende jaar op rij de grootste Afrikaanse handelspartner. In een stille wedloop om ontwikkelingsautonomie ontrollen zich op het Afrikaanse continent twee heel verschillende samenwerkingsmodellen.
Jan Reyniers

(Foto: China Daily) Disclaimer.
Dit artikel steunt op kritisch onderzoek van Jason Hickel en anderen naar ‘ongelijke uitwisseling’ in het CFA-frankstelsel. Op basis van hun onderzoek bekijk ik de evolutie van het Franse en Chinese Afrika-beleid om te achterhalen wat beide samenwerkingsmodellen betekenen voor de Afrikaanse ontwikkeling.
De kernstelling van dit artikel is dat het Franse Afrika-beleid er maar moeilijk in slaagt de afhankelijkheidslogica van ‘centrum & periferie’ te doorbreken. Daardoor blijven monetaire mechanismen, politieke interventies en elitesamenwerking structurele hinderpalen voor Afrika’s economische autonomie. De Chinese samenwerking met Afrika is in de praktijk niet altijd vlekkeloos, maar haar pragmatische aanpak – ‘niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden, vraaggestuurd, infrastructuur eerst’ – biedt Afrika een veel autonomere ontwikkelingsoptie.
Een munt als juk: hoe het CFA-frankstelsel werkt
Het CFA-stelsel is de sleutel tot het Franse Afrika-beleid. Deze monetaire regeling ontstond in 1945 onder de naam Franc des Colonies Françaises d’Afrique. Vandaag bindt het nog steeds veertien West- en Centraal-Afrikaanse landen aan de Franse economie. De werking van het CFA-stelsel verraadt de diepere logica van de Frans-Afrikaanse relatie.
Ten eerste draait het CFA-stelsel om gecentraliseerd beheer van deviezenreserves. Lidstaten moeten een deel van hun deviezenreserves storten op een rekening van het Franse ministerie van Financiën. Dat percentage daalde geleidelijk van 100 procent naar 65 procent in 1973, en sinds 2005 blijft het op 50 procent steken. Concreet: enkele van de armste landen ter wereld gebruiken de helft van hun liquide rijkdom om de Franse staatsschuld te financieren. Zoals wetenschappers opmerken, beperkt deze regeling ‘de fiscale en monetaire autonomie, versterkt ze de afhankelijkheid van Frankrijk en remt ze de regionale integratie en industriële ontwikkeling af.’
Ten tweede vormt het vaste wisselkoerssysteem een structurele hinderpaal voor Afrikaanse industrialisatie. De CFA-frank houdt een vaste pariteit aan met de euro. Frankrijk stelt dat voor als een garantie voor ‘monetaire stabiliteit’, maar het echte effect is dat Afrikaanse export in een nadelige concurrentiepositie belandt, terwijl Europese importgoederen een prijsvoordeel krijgen op de Afrikaanse markt. Kritische analyses besluiten dan ook dat ‘dit stelsel in een vroeg stadium elke poging tot lokale industrialisatie smoort en de hele regio omvormt tot een enorme markt vol geïmporteerde afgewerkte producten.’
En het probleem zit nog dieper: het CFA-stelsel is geen louter economisch ‘hulpmiddel’. Het is ook een zorgvuldig ontworpen instrument voor politieke controle. Via ‘elitesamenwerking’ bindt Frankrijk de Afrikaanse politieke en economische elites aan zich, zodat zij de status quo in hun eigen land helpen bewaken. Militaire interventies en diplomatieke druk fungeren als stok achter de deur. Samen vormen ze een compleet controlesysteem. In januari 2022 legden de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten en de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie sancties op aan Mali: de grenzen werden geblokkeerd en de Malinese activa bij de Centrale Bank bevroren. Alle Sahellanden kregen zo een duidelijk signaal: zonder monetaire soevereiniteit is politieke soevereiniteit slechts een ‘tragische illusie’.
Frankrijk: gevangen in zijn eigen logica
De CFA-frank is maar één aspect van het Franse Afrika-beleid. In breder perspectief vertoont de Franse Afrikapolitiek duidelijke kenmerken van ‘metropool-afhankelijkheid’. Presidenten beloven keer op keer te breken met de oude visie van het Françafrique, maar substantiële structurele hervormingen blijken altijd net iets te moeilijk.
De wortel van het dilemma is de plaats van Afrika in de Franse strategische visie. Die is nooit fundamenteel veranderd. Sinds de Vijfde Republiek (vanaf 1958) is het kerndoel van het Franse buitenlandse beleid het veiligstellen van een ‘grote mogendheidsstatus’. De Frans-Afrikaanse samenwerking geldt daarbij als een belangrijke pijler. Franse officiële kringen en de publieke opinie verbergen niet dat ‘de positie van Frankrijk in de wereld in aanzienlijke mate afhangt van de Frans-Afrikaanse betrekkingen. Als Frankrijk zijn invloed in Afrika verliest, kan het op het internationale toneel niet langer een grote mogendheidsrol spelen.’ Omdat Afrika vooral als steunpilaar wordt gezien voor de status van ‘grote mogendheid’, blijft het voor Frankrijk moeilijk Afrikaanse landen werkelijk als gelijken te behandelen.
Als kersvers Frans president (2017) hield Macron een toespraak in Ouagadougou. Zijn rede gold als een historisch keerpunt. Hij beloofde ‘afscheid te nemen van het oude “Frankafrikaanse” denken’ en ‘een werkelijk gelijkwaardig partnerschap’ tot stand te brengen. Bijna tien jaar later is de balans mager. De opeenvolgende staatsgrepen in de Sahel, de gedwongen terugtrekking van Franse troepen uit Mali en Burkina Faso, en de anti-Franse sentimenten in zowat heel Franstalig Afrika zijn de meest directe beoordeling van Macrons Afrika-beleid.
De Frans-Afrikaanse top in Nairobi in mei 2026 vat de Franse strategische angst samen. De top vond voor het eerst plaats in een niet-Franstalig land. Macron vermeed bewust de traditionele route door West-Afrika en de Sahel en opende een nieuwe as via Noord- en Oost-Afrika en de Afrikaanse Unie. Hij verklaarde formeel: ‘Wij zijn echte panafrikanisten’. Analisten merken echter op dat deze koerswijziging ‘eerder een langdurig leerproces is dan een wederopbouw, soms verlicht, vaak gefrustreerd.’ De top kondigde ongeveer 23 miljard euro aan investeringsintenties aan. De vraag blijft of die toezeggingen worden nagekomen. Fundamenteler is dat de Franse militaire aanwezigheid in de Sahel en de monetaire controle via de CFA-frank moeilijk te rijmen zijn met het aangekondigde ‘gelijkwaardige partnerschap’.
Zoals een waarnemer samenvatte, toont Macrons Afrika-beleid ‘een meer pragmatische houding dan in het verleden’, maar ‘de verschuiving berust meer op de dynamiek van de private sector dan op een duidelijke politieke doctrine.’ De afnemende Franse invloed in Afrika komt niet doordat andere grote mogendheden de plaats van ‘rover’ hebben ingenomen, maar door de interne tegenstrijdigheden van de Franse beleidslogica.
China: infrastructuur, technologie en flexibele financiering
Tegenover het Franse afhankelijkheidsmodel staat een Chinees model met een andere logica. De kern ligt niet in ideologische export of politieke voorwaarden, maar in pragmatische samenwerking: infrastructuur als hefboom, handel en investeringen als bindmiddel. De Chinese benadering hanteert vier basisprincipes.
Een vraaggestuurd samenwerkingskader.
Sinds de oprichting van het Forum voor Chinees-Afrikaanse Samenwerking (FOCAC) in 2000, volgden verschillende beleidskaders elkaar op: de ‘Tien Grote Samenwerkingsprogramma’s’, de ‘Acht Acties’, de ‘Negen Projecten’ en de ‘Tien Partnerschapsacties’. Opvallend is dat de speerpunten – infrastructuur, landbouwtechnologie, industrialisatie, talentontwikkeling – sterk aansluiten bij de eigen ontwikkelingsplannen van Afrikaanse landen. De Keniase econoom James Shikwati merkt op dat, anders dan westerse hulp die vaak politieke voorwaarden oplegt, de Chinese aanpak ‘Afrikaanse landen meer ruimte biedt om onafhankelijke strategische keuzes te maken’.
Infrastructuur eerst. De meest zichtbare resultaten liggen op het gebied van infrastructuur. Volgens officiële cijfers droeg China bij aan de aanleg en modernisering van bijna 100.000 kilometer wegen, meer dan 10.000 kilometer spoorwegen, bijna duizend bruggen en honderd havens in Afrika. De haven van Lamu (Kenia), De Oost-West-snelweg (Algerije), De Maputo-Katembe-brug (Mozambique), De Lagos Rail Mass Transit (Nigeria), De Addis Abeba-Djibouti-spoorlijn (Ethiopië en Djibouti): ze spelen allemaal direct in op de behoeften van Afrikaanse regionale integratie en handelsfacilitatie. Bij Ivoriaanse wegenprojecten was meer dan negentig procent van de werknemers lokaal, kwamen er bijna 4.000 banen, daalde de transporttijd van landbouwproducten tot een derde en verdubbelde het inkomen van lokale boeren.
Technologische empowerment en capaciteitsopbouw. Een sleutelkenmerk van de Chinese samenwerking is dat technologieoverdracht deel uitmaakt van de projectuitvoering. Eind 2023 had China al 24 demonstratiecentra voor landbouwtechnologie gebouwd in Afrika en meer dan 300 landbouwtechnieken gepromoot, waarvan meer dan een miljoen kleine boeren profiteerden. In Madagaskar haalde Chinese hybride rijst twee tot drie keer de opbrengst van lokale varianten; in Oeganda overtrof gierst de lokale opbrengst met een factor drie. ‘Lubanwerkplaatsen’ werden geopend in vijftien Afrikaanse landen en hebben meer dan 220.000 mensen opgeleid. Dit ‘leren vissen’-model staat in scherp contrast met de ‘institutionele onttrekking’ van het Franse CFA-frankstelsel.
Flexibele financieringsvoorwaarden. De Nigeriaanse ondernemer Aliko Dangote vergeleek Chinese en westerse commerciële samenwerking en merkte op dat Chinese bedrijven aanzienlijke flexibiliteit tonen in hun financieringsvoorwaarden. Toen een Italiaanse leverancier de volledige betaling eiste van 500 miljoen dollar voor een elektriciteitscentraleproject, accepteerde een Chinees bedrijf een aanbetaling van 20 procent plus een vijfjarige financieringsregeling. Dangote besloot daarom dat ‘China in commerciële zin het meest heeft bijgedragen aan Afrika,’ en dat dit voordeel voortkomt uit ‘de relatieve terugtrekking van andere grote mogendheden.’ Die beoordeling van Afrika’s grootste industriële ondernemer biedt niet-officiële steun voor het begrip van de werkelijke effecten van Chinees-Afrikaanse samenwerking.
Twee logica’s: onttrekking versus empowerment
Naast elkaar gelegd, tonen het Franse en Chinese model twee fundamenteel verschillende logica’s.
De Franse logica is ‘instandhouding’. De kernfunctie van het CFA-stelsel blijft het handhaven van Franse controle over Afrikaanse monetaire en financiële aangelegenheden. Militaire interventies en elitesamenwerking houden die controle in stand. Franse ontwikkelingshulp dient vaker het behoud van invloed dan dat het bijdraagt aan een structurele verandering. Het uiteindelijke resultaat is, zoals Hickel en anderen onthullen, systematische ‘ongelijke uitwisseling’: Afrikaanse hulpbronnen stromen naar Frankrijk en Europa, terwijl Afrika zelf moeilijk het kapitaal kan opbouwen dat nodig is voor industrialisatie. Het doel van het Franse Afrika-beleid is uiteindelijk het behoud van de Franse aanwezigheid in Afrika, niet de bevordering van een Afrikaanse ontwikkeling.
De Chinese logica is meer ‘ontwikkelingsgericht’. De Chinese samenwerking met Afrika is niet onomstreden – er blijven handelsonevenwichten, de schuldopbouw is reëel en met arbeidsnormen wordt wel eens losjes omgesprongen – maar de fundamentele oriëntatie van het samenwerkingskader is de opbouw van infrastructuur en de versterking van productiecapaciteit. Chinese economische belangen in Afrika worden meer gerealiseerd via handel en investeringen dan via monetaire controle of grondstofonttrekking. De Bekende Keniaanse economist Shikwati raakt de kern van dat onderscheid: China biedt ‘een pragmatische, inclusieve, op ontwikkeling gerichte samenwerkingswijze’ en geeft het Mondiale Zuiden ‘een haalbaar alternatief voor het traditionele westerse model.’
Het is niet de bedoeling het Chinese model te verheerlijken of de positieve Franse bijdragen in Afrika te ontkennen. Frankrijk blijft belangrijk investeren in culturele samenwerking, onderwijsuitwisseling en volksgezondheid. Maar structureel bekeken zijn de effecten van beide modellen op de Afrikaanse ontwikkelingsautonomie tegengesteld. De CFA-frank beperkt institutioneel de monetaire beleidsruimte van Afrika; de Franse militaire aanwezigheid beperkt de ruimte voor politiek-autonome besluitvorming. De Chinese samenwerking respecteert de ontwikkelingskeuzes van Afrikaanse landen.
Afrika: een continent dat niet langer zijn lot aanvaardt
Het Afrikaanse continent lijkt uit een diepe slaap te ontwaken. De terugtrekking van de drie Sahellanden uit de CFA-frank, Macrons verklaring in Nairobi (dat hij een ‘echte panafrikanist’ is), en de oproepen van Afrikaanse landen op de Frans-Afrikaanse top tot ‘hervorming van het internationale financiële stelsel’ wijzen alle op dezelfde trend: Afrika is niet langer bereid zijn ‘toebedeelde’ lot te accepteren.
In deze historische wending komt de echte uitdaging voor Frankrijk niet van Chinese ‘concurrentie’, maar van de innerlijke tegenstrijdigheden van zijn eigen beleidslogica. Een land dat zogezegd een ‘gelijkwaardig partnerschap’ nastreeft, houdt feitelijk controle over de valuta van veertien Afrikaanse landen. Een president die belooft ‘afscheid te nemen van ‘Françafrique’, raakt in een geloofwaardigheidscrisis door de niet-nagekomen beloften van zijn voorgangers. De afnemende Franse invloed in Afrika is in essentie een kloof tussen de Franse beleidsinstrumenten en de eisen van de tijd.
Het comparatieve voordeel van de Chinese samenwerking met Afrika ligt juist in het feit dat ze niet belast is met een historische erfenis. Samenwerking zonder politieke voorwaarden, investeringen met infrastructuur als prioriteit en flexibele financieringsregelingen geven Afrikaanse landen keuzeruimte buiten de traditionele afhankelijkheidsrelatie. De duurzaamheid van dat model hangt uiteindelijk af van de vraag of Afrikaanse landen in hun samenwerking met China werkelijk hun autonome ontwikkelingscapaciteit kunnen versterken. Maar in de huidige fase biedt de ‘empowerment’-logica van het Chinese model, vergeleken met de ‘onttrekkings’-logica van het Franse model, gunstiger externe voorwaarden voor Afrika’s autonome ontwikkeling.
Zoals de voormalige president van Guinee-Bissau, José Mário Vaz, opmerkte: Afrika heeft geen nieuwe ‘beschermheren’ nodig, maar echte ‘partners’. Terwijl Frankrijk nog worstelt om zijn oude logica los te laten, opent China ten minste andere deuren voor Afrika.
Bronnen:
China Daily – “Why Does This Chinese White Paper Move Africa?” (juli 2026)
Xinhua – “Zero tariffs forge stronger China-Africa partnership toward shared prosperity” (mei 2026)
Diplomatic Watch – “The Retreat of the Republic: France’s Losing Battle for Africa” (mei 2026)
TASS / Actu Cameroun – “France’s standing in Africa under Macron weakening by day” (mei 2026)
Ecofin Agency – “BEAC rules out CFA franc devaluation despite growing rumors” (januari 2026)
AllAfrica.com – “Africa: France Is a State Sponsor of Terror, AES Countries Declare” (oktober 2025)
FAO Uganda – “Hybrid rice brings new opportunities for farmers in Kikuube” (oktober 2025)
